Geschiedenis

De vraag of nul een getal is, lijkt op het eerste gezicht misschien te gaan over niets. Maar de Hoogleraar Wiskunde aan de Leidse Universiteit, de heer Hendrik Lenstra, liet in een lezing die ik eens volgde zien dat de hele wiskunde is gebaseerd op het getal nul. ‘Of het getal nul wordt gerekend tot de natuurlijke getallen, is afhankelijk van je opvoeding’, meldde Henstra in zijn uitleg over getallenleer. Zijn verhaal kwam erop neer, dat elke nieuwe stap in de wiskunde een stevig fundament nodig heeft, en dat fundament wordt sinds de 19e eeuw gevonden in de verzamelingenleer, waarin het getal nul de basis vormt. ‘De hele wiskunde is dus gebaseerd op niets’, grapte Henstra. Preciezer geformuleerd, vormt de zogenaamde ‘lege verzameling’ het fundament der fundamenten, en dat is, inderdaad, een verzameling waar niets in zit.

Over de vraag aan de heer Henstra, hoe de wereld er uit zou zien zonder het getal nul, moest hij even nadenken. ‘Dan moeten we denken aan de oude Grieken en Romeinen: wat hadden zij niet, dat wij wel hebben?’ Hoewel het antwoord op deze vraag niet makkelijk te geven is, is wel te verklaren waar de overweging van Henstra vandaan komt. Immers, het getal nul heeft niet altijd een bestaan gehad in de geest van de mens, het is door de Babyloniërs als eerste bedacht, enkele honderden jaren voor Christus. Ze gebruikten het eigenlijk alleen nog als scheidingsteken, om onderscheid te kunnen maken tussen bijvoorbeeld 61 en 3601 en 36001 (de Babyloniërs hanteerden een zestigtallig stelsel, waarin de verschillen tussen getallen die in het spijkerschrift op dezelfde manier genoteerd werden, moest worden gehaald uit de context).

Onze latere nul, die als eerste in India een volwaardig getal werd, heeft hier een allesbepalende rol in gespeeld, maar het heeft de geschiedenis toch nogal wat moeite gekost om dat kleine rondje naar onze tijd te loodsen: zowel de oude Grieken als de vroeg middeleeuwse christelijke kerk waren bang voor de nul, en ontkenden zijn bestaan. De reden hiervoor was, dat Aristoteles een wereld had geschetst als middelpunt van een eindige kosmos, bestuurd door God. En dat ging niet samen met de nul, die hand in hand gaat met de oneindigheid.

Gezien de rijke historie van dit ons zo vertrouwde element moet geconcludeerd worden: het is niet niets, die nul; het is een getal, en meer dan dat.

(Dit stuk is eerder gepubliceerd geweest in het Leidsch Dagblad in de rubriek ‘De Kwestie’.)

Dondergod Thor gaf zijn naam aan een dag van de weekDe namen van onze dagen van de week hebben hun oorsprong in de zeven met het blote oog zichtbare hemellichamen. In de oude Mesopotamische astrologie regeerden de planeetgoden elk over een uur van de dag. Misschien als troost, mocht de planeet die het verst van de aarde verwijderd was de week beginnen: Saturnus. ‘Saturnusdag’ werd daarmee de eerste dag van de week. Nadat ook achtereenvolgens Jupiter, Mars, de zon, Venus, Mercurius en de maan hun plek hadden gekregen over de volgende zes uren van het etmaal, begon de cyclus opnieuw. Doortellend resulteerde dat in de toebedeling van het eerste uur van het volgende etmaal aan de zon. Dus: de tweede dag van de week werd de zondag. Op deze wijze continuerend kreeg de maan de derde dag, Mars de vierde dag, Mercurius de vijfde, Jupiter de zesde en Venus de zevende.

Later versterkten de Germanen in Noordwest-Europa hun onafhankelijkheid van de Romeinen door namen van hun eigen goden toe te wijzen aan vier van de zeven weekdagen. De Romeinse oorlogsgod Mars werd vervangen door de Noorse Týr of Ding: de bron voor onze dinsdag. De wijze Noorse oppergod Odin/Wodan verdrong Mercurius, en Mercurdag werd woensdag. De zoon van Wodan, dondergod Thor, kon blijkbaar harder donderen dan de Romeinse onweersgod Jupiter, joeg hem weg en donderdag was geboren. Frigg kreeg de vrijdag. Saturnusdag, zondag en maandag bleven wat ze waren.

Nadat de Romeinse keizer Constantijn de zevendaagse week had ingevoerd, waren er twee momenten waarop die week kon beginnen. In de joodse traditie begon de week op zondag en viel de rustdag op de sabbath aan het eind van de week. De Romeinse cq Germaanse week begon echter op zaterdag. Maar omdat de naamgever van deze dag als zeer ongelukkig werd gezien (‘Wanneer het Saturnus’dag is wordt alles donker en moeilijk; zij die geboren worden zijn in gevaar; hij die verdwijnt zal niet gevonden worden; hij die zijn ziekbed moet houden is in gevaar; gestolen goederen zullen niet gevonden worden’), was het bij nader inzien misschien toch niet zo’n goed idee om die dag als eerste van de week te blijven zien. Zondag kreeg zodoende door keizer Constantijn nummer 1 opgespeld.

(Deze tekst is een fragment uit het boek Tien verdwenen dagen – over de menselijke maar achter ons wereldbeeld.)

kalenderOnze kalender vindt zijn oorsprong bij Romulus, de mythische stichter van de stad Rome en het rijk waar wij uiteindelijk onze huidige datum vandaan hebben. Het jaar van Romulus begon bij een begin, namelijk dat van nieuw leven. In de lente dus. De eerste van de tien maanden werd naar Romulus’ vader genoemd, de god Mars. ‘Marlius’ was in de Romeinse kalender daarom de eerste maand van het jaar. De start van de lente, het moment dat de zon recht boven de evenaar staat en evenveel van zijn licht en warmte over het noordelijk als over het zuidelijk halfrond laat schijnen, viel volgens de Romeinen op de vijfentwintigste dag van die eerste maand.

De naamgeving van de volgende maand werd ‘De Tweede’. Weinig creatief misschien, maar in de Latijnse vertaling ‘Aprilius’ klinkt het al een stuk poëtischer. Doordat de daaropvolgende maand gekenmerkt werd door groei van de gewassen en van de pasgeboren dieren, vond men een toepasselijke naam in die van ‘Maius’, de godin van de groei. Junius vervolgens was genoemd naar de godin Junon, heerseres van de hemelen.

Daarmee leken de naamgevers al hun creatieve kruit verschoten te hebben, want de resterende zes maanden van het jaar werden simpelweg genummerd. De maand na Junius was de vijfde maand, oftewel Quintilis. Sixtilis (= 6) volgde daar weer op. Deze eerste zes maanden verklaren waarop de volgende vier maanden van het jaar heten zoals ze heten: September (= 7), Oktober (= 8), November (= 9) en December (= 10).

Even getallen brachten volgens de mensen in het oude Rome ongeluk. Daarom hield men daar rekening mee bij de toebedeling van het aantal dagen aan elke maand. Maart (ik zal de maanden in het vervolg in hun vernederlandste vorm benoemen, voor zover dat van toepassing is) kreeg er 31, April 29, Mei 31, Juni 29, Quintilis 31, Sixtilis 29, September 29, Oktober 31, November 29 en December 31. Dat was wel een probleem, in een maatschappij waar het leven vooral het ritme van de seizoenen volgde. Maart zou telkens na driehonderd dagen weer beginnen, en dus grofweg twee maanden eerder dan in onze kalender. Een jaar van driehonderd dagen dat begint in de lente, begint het jaar daarop in één van de koudste periodes (op het noordelijk halfrond), namelijk in een periode die wij januari noemen. Nog een jaar later valt maart zelfs vóór de aanvang van de meteorologische winter, namelijk op een moment dat wij onze sinterklaasinkopen aan het doen zijn.

Voor een volk van landbouwers en veehouders was het toch praktischer om een houvast te hebben aan de indeling van het jaar voor de verzorging van de gewassen en het vee, het zaaien en het oogsten. Daarom werden de toenemende afwijkingen tussen de maanden en de seizoenen gecorrigeerd door zogenaamde Interkalarius. Dat waren dagen die af en toe aan de kalender werden toegevoegd. De tweede koning van Rome, Numa Pompilius, pakte dit structureel aan. Hij vulde de jaarlijkse leemte op met twee nieuwe maanden. Ongeveer vanaf 700 v. Chr. had het jaar daardoor twaalf maanden; minder logisch gezien het tientallig stelsel van de Romeinen, maar het bracht wel de maanden en het jaar weer in synchroniteit met de seizoenen. De god Janus, met twee gezichten, één aan elke kant van zijn hoofd, kreeg een van de twee nieuwe maanden naar zich genoemd: Januarus. Deze maand kreeg 29 dagen. De laatste maand van het jaar was voorbehouden aan reiniging en boetedoening. Het was dan ook de god van de purificatie, Februus, die zijn naam hieraan verleende. Het verklaart ook dat februari onze schrikkelmaand is: de Romeinen verrekenden hun Interkalarius aan het eind van hun jaar.

Onze maanden en hun namen op hun rijtje:

Januari – De Romeinse god Janus is de naamgever van onze eerste maand van het jaar.

Februari – De laatste maand van de oude Romeinse kalender (die begon in de lente met maart) was er één om de rotzooi van het voorafgaande jaar op te ruimen. Typisch een maand om af en toe eens een schrikkeldag aan toe te voegen dus, om scheefgelopen verhouding tussen jaren, maanden en dagen mee op te lossen. De god Februus was van de purificatie, dus die nam die taak graag op zich.

Maart – De oude Romeinse kalender begon in de lente. Logisch eigenlijk, beginnen bij het begin. De eerste maand werd genoemd naar de vader van de mythische stichter van Rome (Romulus), de god Mars. Marlius was in de Romeinse kalender daarom de eerste maand van het jaar.

April – Aprilius betekende ‘tweede’ in het oude Rome.

Mei – Maius was de Romeinse godin van de groei. Haar naam paste mooi bij de maand die gekenmerkt werd door groei van de gewassen en van de pasgeboren dieren

Juni – Junius was de Romeinse godin die heerste over de hemelen.

Juli – Julius Caesar kreeg na zijn dood de vijfde maand van de Romeinse kalender naar zich vernoemd. Die had eerder nog geen eigen naam, maar heette simpelweg quintus, vijfde.

Augustus – Keizer Augustus wilde zijn naam terugzien in een maand, net zoals zijn voorganger Julius Caesar. Omdat juli al door laatstgenoemde bezet was, kreeg Augustus de maand daarna. Die had eerder nog geen eigen naam, maar heette simpelweg sextus, zesde.

September – Septum is Latijn voor zeven. De zevende maand in de oorspronkelijke Romeinse kalender werd september genoemd.

Oktober – Octo is Latijn voor acht. De achtste maand in de oorspronkelijk Romeinse kalender werd october genoemd.

November – Nove is Latijn voor negen. De negende maand in de oorspronkelijke Romeinse kalender werd november genoemd.

December – Deca is Latijn voor tien. De tiende maand in de oorspronkelijke Romeinse kalender werd december genoemd.

Twaalftallig stelselWij zijn zo gewend aan het gebruik van het tientallig stelsel dat we ons nauwelijks kunnen voorstellen dat je ook prima met andere getalstelsels uit de voeten kan. Sterker nog, het twaalftallig stelsel is daar niet alleen een historisch voorbeeld van, maar gebruiken we nog steeds. Zoals in het (halve) dozijn waarin de meeste eieren worden aangeboden in de supermarkt. Waarom is dat? Waarom geen tien?

Het tellen op de vier vingers van één hand met de duim van dezelfde hand heeft waarschijnlijk ten grondslag gelegen aan het gebruik van het grondgetal 12 en het twaalftallig stelsel. Dat  grondgetal zien we terug in de nog steeds gebruikte begrippen als dozijn en gros. Een reconstructie van het ontstaan van het twaalftallig stelsel voert terug op het aanwijzen van de vingerkootjes met de duim. Aangezien elke vinger er daar drie van heeft, en de duim als aanwijsstok zelf niet meegeteld wordt, tel je zo 4 x 3 = 12 af op de vingers van één hand. Dat staat niet op zichzelf. De Soemeriërs, een volk dat van circa 4000 tot 2000 v. Chr. leefde in Mesopotamië (nu Zuidoost Irak), verdeelden de dag in twaalf stukken. Waarschijnlijk was dat afgeleid van de twaalf sterrenbeelden die zij in de loop van het jaar aan de nachtelijke hemel zagen verschijnen. Een cirkel werd door hun meetkundigen opgedeeld in twaalf delen van elk 30°. En een sterke aanwijzing voor het bestaansrecht van het twaalftallig stelsel zit in de toepassingen voor de handel. Een hoeveelheid van 12 is deelbaar door 2, 3, 4 en 6. Dat biedt dus twee keer zoveel mogelijkheden als de 10, die slechts deelbaar is door 2 en 5. Handig, als je bijvoorbeeld potten en pannen wil verkopen en daar specifieke hoeveelheden broden voor terug wil: je hebt meer mogelijkheden.

Het meest triviale voorbeeld van het gebruik van het twaalftallig stelsel is zo ingebed in ons leven, dat we het misschien volkomen over het hoofd zien als afwijkend van het meestal door ons gebruikte tientallig stelsel. Zie je hem al? Simpel: onze tijdwaarneming, met twaalf uren in een dag.

Meer over (ook andere) getalstelsels en het ontstaan en gebruik daarvan kun je lezen in mijn boek Tien verdwenen dagen – over de menselijke maat achter ons wereldbeeld.

Charles BoothToen Charles Booth, de nieuwe voorzitter van de Royal Statistical Society, zich in de tweede helft van de 19de eeuw in Londen vestigde, schrok hij van de grote verschillen in sociale omstandigheden van de Londenaren. Booth startte zijn eigen sociologisch onderzoek. Hij was waarschijnlijk iemand die niet snel tevreden was, want het duurde achttien jaar voordat hij zijn bevindingen publiceerde in het zeventiendelige Life and Labour of the People in London. Daarin was een kaart opgenomen met de alleszeggende titel Descriptive Map of London Poverty 1889. Booth had rijkelijk kleuren gebruikt, om zijn indeling van de welstandsniveaus in zeven categorieën inzichtelijk te maken. Hij had de eerste demografische kaart gemaakt.

Ik vind drie zaken interessant aan Booth’s innovatie. In de eerste plaats het gegeven van de innovatie zelf, de nieuwe toepassing, als start van de demografie. Demografisch onderzoek wordt tot op de dag van vandaag intensief gebruikt door marketeers, verzekeringsmaatschappijen, kredietverstrekkers en andere beroepsgroepen die een inschatting willen maken van kansen en bedreigingen. In de tweede plaats was de invloed van Booth’s werk opmerkelijk. Dat resulteerde namelijk in de invoering van een staatspensioen in 1908, omdat Booth met zijn werk had aangetoond dat armoede, werkeloosheid, leeftijd en criminaliteit nauw met elkaar verbonden waren.

Het derde aspect dat me opvalt is de beschrijving van de zeven categorieën op de legenda. Enerzijds had die beschrijving ten grondslag gelegen aan de opgedane inzichten, anderzijds zat er een flink stigmatiserend element in. Ik geef ze je voluit, in aflopende volgorde, zodat je zelf kunt zien wat ik bedoel:

Poverty map van Charles Booth

  • Upper-middle and Upper classes. Wealthy.
  • Middle class. Well-to-do.
  • Fairly comfortable. Good ordinary earnings.
  • Mixed. Some comfortable, others poor.
  • Poor. 18S. to 21S. a week for a moderate family.
  • Very poor, casual. Chronic want.
  • Lowest class. Vicious, semi-criminal.

Booth leek met zijn ‘semi-criminal’ nog bijna een voorbehoud te willen maken (‘ik zeg niet dat het allemaal criminelen zijn hoor, die ‘lowest class people’, maar ze zitten er wel heel dicht tegenaan’), maar erg empathisch komt zijn legenda niet over. Ik stel me voor dat zo’n indeling, of een variant daarop, tegenwoordig gebruikt zou worden. Met de toevoeging van nog een karakteristiek, bijvoorbeeld etniciteit, zou je de maatschappelijk en politieke poppen helemaal aan het dansen krijgen.
Maar, zoals gezegd, hervormer Booth bereikte zijn doel, waar op zichzelf niemand iets op tegen had kunnen hebben, want de ‘Old Age Pensions Act’ bleek levensreddend voor miljoenen Britten.

Ik vind dat de Map of Poverty van Booth heel goed het spanningsveld liet zien waar cartografen en de gebruikers van kaarten – u en ik – voor staan. Een kaart laat zien wat de maker wil laten zien. Het resultaat hangt dus net zo sterk af van de bedoelingen van de maker als van de opgenomen gegevens. Een niet te onderschatten element uit het visuele spel is de gebruiker. Soms zijn dat getrainde deskundigen: artsen, militairen, statistici. Maar vaker zijn dat leken: loodgieters, advocaten, schooljuffen en bankemployees, die alleen hun gezonde verstand kunnen inzetten om het bekijken van een kaart tot een goed en ongeschonden einde te brengen. Een klein beetje gezond wantrouwen zou hierbij behulpzaam kunnen zijn, lijkt mij.

De oude Griek Pythagoras was hij een fervent bespeler van de lier. Dat zou je misschien niet verwachten bij een radicale getallenevangelist die niet alleen een klinkende wiskundige stelling heeft voortgebracht, maar er niet voor terugdeinsde om tegenstanders van zijn cijfergeloof uit de weg te ruimen.

Pythagoras was niet alleen een getalenteerde wiskundige, maar zou ook een fundamentalistische romanticus blijken, als het gaat om het uitdragen en verdedigen van zijn wereldbeeld, dat voornamelijk uit getallen bestond.
Je zou kunnen zeggen dat het allemaal met de lier was begonnen. Deze ronde, handzame voorloper van de harp had vier tot zeven snaren, die tussen de gebogen armen over een klankkast waren gespannen. Pythagoras ontdekte tijdens het beroeren van de snaren van zijn lier, dat de tonen zich op een afgemeten manier aan de wereld lieten horen, wanneer hij de snaren op bepaalde plekken indrukte. Wanneer hij de snaar precies in het midden met een vinger indrukte en vervolgens aansloeg, steeg de toonhoogte van die snaar exact een octaaf. Een snaar die verdeeld werd in twee delen met de onderlinge verhouding twee staat tot drie liet een kwint horen, een verschil van vier stappen. Hij constateerde ook tal van andere regelmatigheden tussen enerzijds de lengteverhoudingen van de snaar en anderzijds de verschillen in toonhoogtes. Argeloze luisteraars hoorden muziek, Pythagoras hoorde getalsverhoudingen.
Mooie getalsverhoudingen leveren dus harmonie. Dat strekte zich volgens Pythagoras en zijn volgelingen uit tot ver buiten de muziek, tot alle uithoeken van de gehele natuur. Zelfs de hemellichamen maakten muziek, volgens Pythagoras, wanneer zij in hun eeuwige hemelse cirkels hun baantjes rond de aarde trokken. Jupiter en Saturnus hadden de hoogste omloopsnelheid en moesten dus ook de hoogste tonen voortbrengen. Dat geen mens die ooit gehoord had deed er niet veel toe: muziek, geluid, bewegingen en vormen: alles was in de taal van de getallen uit te drukken, alles was wiskundig verklaarbaar.

Dat de Pythagoreeërs strikt waren in de leer wordt geïllustreerd door een anekdote, tekenend voor de preoccupatie die Pythagoras en zijn volgers hadden met een wereld bestaande uit rationele getallen. Een leerling van Pythagoras, Hippasus, had beweerd dat er ‘irrationele getallen’ bestaan. (Terugkijkend zou je kunnen zeggen: wat heb je aan de benaming rationele getallen, wanneer er niet ook iets als irrationele getallen zou bestaan? Dat zou een legitieme vraag zijn, waarvan het antwoord is gelegen in, inderdaad, het bestaan van irrationele getallen.) Irrationele getallen zijn getallen die niet als breuk te noteren zijn. Een bekend voorbeeld is √2. De vierkantswortel uit twee is ongeveer 1,4 met een oneindig aantal decimalen daar nog achter. En een getal waarvan het aantal decimalen verder reikt dat het aantal sterren aan een heldere nachtelijke Griekse hemel kan niet als breuk geschreven worden. Ook het getal π, dat onder anderen de verhouding weergeeft tussen de straal en de omtrek van een cirkel, is een irrationeel getal (circa 3,1416 en dan nog oneindig verder). Hippasus beweerde niet alleen dat er naast mooie breuken ook getallen bestonden die irrationeel waren, hij bewees het ook. Hippasus oversteeg daarmee in zekere zin zijn meester. De Pythagoreeërs leefden bij de idee van harmonieuze getalsverhoudingen. Getallen die je niet keurig als verhouding kon noteren droegen niet bij aan het levensgeluk van deze mensen. Het ging er recht tegenin zelfs, zagend aan de stoelpoten van de wiskunde van Pythagoras. Irrationele getallen waren een complete verrassing. Ze waren zeer ongewenst. Hippasus’ ontdekking werd niet echt gewaardeerd. De overlevering wil dat hij, in opdracht van de oude grijze Pythagoras zelf, voor zijn prestatie overboord werd gekieperd tijdens een tocht op de Middellandse Zee. Andere versies gaan ervan uit dat hij slechts verbannen werd.
Alsof de ontdekking van Hippasus nog niet voldoende verstoring had veroorzaakt onder de Pythagoreeërs, volgde daarop ook nog eens dat de mooiste verhouding ter wereld, de zo bewonderde Gulden Snede, ook een irrationeel als basis heeft, en geen mooie, nette breuk tussen twee gehele getallen. Het aantal decimalen achter de 1,6 van de Gulden Snede gaat eindeloos door, stopt nooit, tot gekmakens toe van in ieder geval de Pythagoreeërs, die besloten dat het irrationele karakter van de Gulden Snede geheim moest blijven. De democratie is weliswaar in Griekenland uitgevonden, maar daar had Pythagoras duidelijk niet veel mee van doen. Begonnen als visionair, eindigde hij als sekteleider.

(Meer verrassende verhalen over getallen zijn te lezen in mijn boek Tien verdwenen dagen.)
Wil je ontdekkingsschrijvernieuws blijven ontvangen? Meld je dan aan voor ontvangst van de nieuwsbrief op www.ontdekkingsschrijver.nl.
Of volg @MichielvStraten op Twitter.

Willem BarentszEnige tijd geleden bedacht ik dat ik de gelegenheid had om het legendarische Behouden Huys zélf te bezoeken, zodat ik me een beter beeld kon vormen van de omstandigheden op die de expeditieleden van Willem Barentsz op Nova Zembla hadden moeten doorstaan in 1596. Of iets wat er in de buurt kwam in elk geval: West-Terschelling heeft een museum dat de naam van het legendarische gebouwtje draagt. Dat dit museum op Terschelling staat is niet zonder reden, want Barentsz was een inwoner van dit eiland. Ik reisde naar het noorden.

Ik had beschrijvingen gelezen van het Behouden Huys, ik had er afbeeldingen van gezien, maar nu ik op het punt stond om met eigen ogen (een replica van) het Huys binnen te stappen, kreeg ik het gevoel dat ik meer van de ontberingen van de mannen zou gaan begrijpen.
Het Huys stond op de binnenplaats van het museum. Het was niet helemaal op ware grootte, zo leek me, want ik mat zes passen in de lengte en bijna vier in de breedte af, terwijl de veronderstelde maten 10 bij 6 meter waren. Verder leek dit het onderkomen wel goed weer te geven. Via een voorportaaltje, gebouwd om de ergste sneeuw(stormen) buiten te houden, keek ik de hut binnen. Het eerste wat ik deed was me dood schrikken, want wat ik in het donker en vanuit mijn ooghoek had aangezien voor een figurerende pop, bewoog zich plotseling geluidloos maar resoluut in mijn richting. Het was een museumbezoekster, die stilletjes de sfeer van het Huys in zich had zitten opnemen. Ze sloop de deur uit, stil, alsof ze een sacrale ruime verliet (wat het voor mij ook een beetje was), en liet mij achter in 1596.
Ik zag de planken langs de muur die de bedden hadden gevormd, en vroeg me af hoe ze hier zeventien man hadden weten onder te brengen. Ook al was de ruimte in werkelijkheid groter geweest, dan nog was het krap, want alles wat de mannen deden moest in die ene ruimte plaatsvinden: slapen, koken, eten, de behoefte doen, wapens prepareren, kleding repareren, de gevangen vossen villen, en ten slotte zichzelf een beetje vermaken en de ander niet te veel irriteren. Dat laatste moet moeilijk geweest zijn, na negen maanden deze stinkende, van rook vergeven en ijskoude ruimte te hebben gedeeld.
Ik zag een tafeltje, een kist, enkele hellebaarden waarmee ze zich de ijsberen, die wij in de dierentuin net zo schattig vinden als ze voor de mannen op Nova Zembla gevaarlijk waren, van het lijf hielden. Er stond nog een ton, verder wat schalen, kruiken en kannen, maar het meest van mijn aandacht werd gevangen door de schoorsteen die boven het open vuur hing. Hier had letterlijk hun leven van afgehangen. Het beetje warmte dat het vuur aan de ruimte en de mannen gaf was meer dan luxe, het was noodzakelijk om niet te bevriezen. De kieren tussen de planken wanden waren willig genoeg om kou de doorgang naar binnen te verlenen, maar deze vervloekte openingen waren te klein om wezenlijk bij te dragen aan de afvoer van condens. De dikke laag ijs die hierdoor aan de binnenkant van de uit planken opgetrokken muren ontstond, omringde de bewoners als een voortdurende ijselijke vampier, die alle warmte als bloed uit de dik ingepakte mannen zoog.
De regen kletterde ondertussen niet alleen boven mijn hoofd op het schuin aflopende dak, maar kwam met enkele druppels ook af en toe het Huys binnen. Tevreden dacht ik dat ik me geen betere omstandigheden had kunnen wensen voor dit bezoek. Helaas zaten er altijd nog enkele tientallen graden Celsius tussen Nova Zembla en West-Terschelling, tussen de 16de en de 21ste eeuw, tussen Barentsz en mij, maar ik moest het ermee doen.
Ik vond het geweldig. Hier zat ik, in dezelfde ruimte die meer dan vier eeuwen geleden en ruim vierduizend kilometer verderop het onderkomen was geweest van zeventien verlaten mensen. Dezelfde, nu gezellig aandoende, planken hadden de scheiding gevormd tussen enige beschutting enerzijds en een extreem vijandige omgeving anderzijds, tussen leven en dood. Op deze smalle planken hadden ze geprobeerd de slaap te vatten, in een wankel evenwicht tussen de koude ijslaag op de muur aan de ene kant, en de harde vloer aan de andere kant. En vooral: door deze schoorsteen was zowel de rook als veel van de warmte verdwenen. Ze zullen de hele constructie van de stookplaats er zowel om geprezen als vervloekt hebben.
Nadat ik goed had rondgekeken en enkele foto’s had gemaakt om me te helpen dit beeld in de toekomst weer op mijn netvlies te toveren, verzonk ik weg in gepeins en stelde me voor hoe het nou écht geweest moest zijn. Het hele interieur ademde een verleidelijke knusheid, maar ik moest concluderen dat die adem stonk, want alles wat het hier knus maakte was op 76 graden noorderbreedte in het beste geval zeer oncomfortabel: de kleine ruimte, het weinige licht, het open vuur in het midden, de museaal gegroepeerde hellebaarden, de smalle plankjes om op te zitten of te liggen. Al die elementen bij elkaar vormden een potentieel dodelijke mix, want buiten de wankele plankenverzameling dreigde de niets ontziende natuur 24 uur per dag een einde te maken aan het leven van de schipbreukelingen. En dat het niet bij dreigen was gebleven, bewezen de drie mannen die het niet overleefd hadden, onder wie Willem Barentsz, de man die zijn naam had geleend aan een van de meest aansprekende expedities uit onze vaderlandse geschiedenis.
‘Whoeah, daar zit een enge man!’ Twee meisjes waren, gebogen over hun speurtocht-A4’tje, de deuropening van het Huys binnengestapt en hadden mij aangezien voor… een pop, die zich opeens naar hen toe had gedraaid. Tenminste, ik probeerde mezelf gerust te stellen dat dat de oorzaak was geweest van hun schrik, net zoals dat eerder bij mij gebeurde toen ik de ruimte had betreden. ‘God, ik schrok me dood, ik dacht dat het een pop was!’ riep een van de meisjes naar de ander. Ik leek daardoor nog steeds niet te bestaan. Het was tijd om weer de 21ste eeuw binnen te stappen.

(Bovenstaande tekst is een bewerking van een tekst uit mijn boek Zee van ijs.)
Wil je ontdekkingsschrijvernieuws blijven ontvangen? Meld je dan aan voor ontvangst van de nieuwsbrief op https://www.ontdekkingsschrijver.nl/Nieuwsbrief. Of volg @MichielvStraten op Twitter.

Het Behouden HuysHet Behouden Huys, gebouwd door de mannen van de Willem Barentsz expeditie in 1596 op Nova Zembla, had op het eerste gezicht zijn naam mee: je zag bij wijze van spreken het kaarslicht flakkeren door de van gordijnen voorziene raampjes. Maar de werkelijkheid boven de poolcirkel was niet die van ganzenbordende winteravondgezelligheid. Een poolreiziger zou dat later mooi verwoorden: ‘Polar exploration is at once the cleanest and most isolated way of having a bad time which has been devised.’ Het Behouden Huys, gebouwd van aangespoeld hout, had zijn bewoners zelfs bijna de dood had ingejaagd.

Dat zat zo. Gezagsvoerders Jacob van Heemskerck en Jan Corneliszoon Rijp voeren in 1596 uit om een noordoostelijke handelsroute te vinden om het vasteland van Europa naar China. Eerste stuurman op het schip van Van Heemskerck was de Terschellinger Willem Barentsz. Helemaal in het noorden van Nova Zembla kwam hun schip vast te zitten in het ijs, om nooit meer los te komen.

Om zich te beschermen tegen de sneeuwstormen, de kou en niet in de laatste plaats de vele en zeer gevaarlijke ijsberen, bouwden de mannen van aangespoelde bomen het onderkomen dat ze het ‘Behouden Huys’ doopten. Ze wisten dat de kans groot was dat hun schip niet meer in de behoefte aan bescherming zou kunnen voorzien, want dat werd gemangeld en gekraakt door het kruiende ijs. Het najaar was inmiddels aangebroken, en het ijs zou tot en met de volgende zomer niet meer wijken, maar alleen nog in kracht toenemen. Naarmate de poolomstandigheden agressiever werden, brachten de mannen meer en meer materiaal en voorraden van het gekraakte schip over naar het huis. Het boek Overwintering op Nova Zembla van Rayner Unwin geeft een omschrijving van het huis van 10 bij 6 meter, die verre van sprookjesachtig is: ‘Het werd een eenvoudig, solide gebouwtje. Ze hadden niet de tijd, de vaardigheid of de materialen om enige verfijning aan te brengen. Er was één ingang die werd beschut door een royaal dubbel portaal, er waren geen ramen en in het dak zat een hoge, piramidevormige schoorsteen. Afgezien van de planken, die wel anderhalve duim dik waren, was er geen isolatie, behalve die van sneeuw die later in het jaar tegen de muren op werd geblazen. Als ze hadden ingezien hoeveel warmte er verloren ging door de hoge deurposten en dakspanten en door de trechtervormige schoorsteen, zouden ze in de maanden die volgden minder hebben hoeven te lijden. (…) Ze konden niet voorzien dat twee vijanden – kou en condens – er zo gemakkelijk zouden binnendringen en hun toevluchtsoord bijna in een graf zouden veranderen.’
Met het verstoken van hout probeerden ze de ergste kou uit het huis te verdrijven, wat nauwelijks lukte. De kooien die ze hadden gemaakt en waarin ze lagen onder zo veel mogelijk dekens, werden alle begrensd door een ijslaag op de muur, aangegroeid door de hoeveelheid condens. Wanneer ze om het vuur kwamen staan, verschroeiden ze aan de voorkant en bevroren ze aan de achterkant. Zelfs de klok was door de kou stil blijven staan.
Naast vooral de hoop op warmte, bracht het vuur veel rook. Het werd nu kiezen tussen twee kwaden: kou of rook. Het laatste kon door de schoorsteen verdwijnen, maar dat deed de geproduceerde warmte ook. Ik zou niet verwachten dat iemand het dichtstoppen van de schoorsteen als serieuze mogelijkheid zou overwegen, maar blijkbaar was de kou zo erg dat de mannen dat wel deden. En meer dan dat: ze voerden het idee ook uit.
Hadden ze maar hout gestookt op dat moment, dan zouden ze direct omgeven zijn door een dikke walm van rook en onmiddellijk van hun actie zijn teruggekomen. Maar ongelukkigerwijs waren ze op dat moment kolen aan het verstoken, die veel minder rook gaven. Zonder ventilatie, de kieren in de planken muren niet meegerekend, werden ze bedwelmd door de onzichtbare kolenwalm. Hun toch al door de extreme kou rijkelijk aanwezige apathie werd er door de koolmonoxidevergiftiging die ze allen opliepen alleen nog maar groter door. Als er niet enkelen waren geweest die met hun scherpe opmerkingsvermogen het levensbedreigende karakter van de situatie konden inschatten, waren ze allemaal binnen enkele minuten het slachtoffer geworden van hun verlangen naar warmte. Na de schoorsteen en de deur te hebben opengegooid, kwamen ze weer bij hun positieven. IJselijke kou was direct weer hun metgezel, maar ze leefden nog.
De kolen raakten op, net zoals hun voorraad wijn, scheepsbeschuit en gepekeld vlees. Scheurbuik deed zijn intrede; een ziekte waar vrijwel alle zeelui die lang verstoken waren van vers voedsel mee te kampen kregen tot halverwege de 18de eeuw. Het verzamelen van brandhout, wat eerder al een extreem zware klus was geweest, was nu vrijwel onmogelijk geworden voor de sterk verzwakte mannen. Af en toe vingen ze een poolvos, die hen van een beetje vlees voorzag, maar met hun andere regelmatige bezoekers uit het dierenrijk – de gevaarlijke ijsbeer – waren ze minder blij. Ook daar was hun huis nauwelijks tegen bestand.
Al met al bood het Behouden Huys Willem Barentsz en zijn mannen minder robuust bescherming dan de overlevering doet vermoeden, hoewel het hen natuurlijk wel heeft doen overleven. Zonder zo’n onderkomen zouden ze het niet hebben gered. Op Nova Zembla is het gemiddeld bijna –10 ºC, met winterse temperaturen van –20 ºC tot –30 ºC. Uitschieters naar –40 ºC behoren er ook tot de mogelijkheden.

(Bovenstaande tekst is een bewerking van een tekst uit mijn boek Zee van ijs.)
Wil je ontdekkingsschrijvernieuws blijven ontvangen? Meld je dan aan voor ontvangst van de nieuwsbrief op https://www.ontdekkingsschrijver.nl/Nieuwsbrief.Of volg @MichielvStraten op Twitter.

Durgerdammer vissersDe winter van 1849 was er één zoals we ons die graag herinneren als oer-Hollands: koud en met een dikke laag ijs op de sloten en meren. Maar de werkelijkheid was minder romantisch. Vooral voor degenen die aan het water woonden was het leven genadeloos; na een geschiedenis van hongersnood en overstromingen moesten zij hard werken om te overleven.
Zo liet die winter ook zijn sporen na in het Zuiderzeedorp Durgerdam. Drie Durgerdammer vissers raakten vast op de bevroren Zuiderzee en moesten vechten voor hun leven.

Het was misschien een jaar of vijftien geleden, dat ik in een museum een bescheiden tentoonstelling had gezien over drie Durgerdammer vissers, die lange tijd op een ijsschots hadden rondgedreven. Het verhaal was maar half ingedaald. Dat kwam vooral door het onwaarschijnlijke karakter ervan, en mijn vage interpretatie dat het daardoor een fictief verhaal moest betreffen. Musea tonen immers vaak genoeg gebeurtenissen uit de categorie ‘hoe het gegaan zou kunnen zijn’.
Het bestaan van het verhaal had een plek ingenomen in mijn geheugen. Toen ik het museum recent weer bezocht wilde ik er meer van weten. Was het misschien toch echt gebeurd? Zo ja, hoe kon het dat de mannen niet doodgevroren waren? Waardoor waren ze niet opgemerkt, vanaf de wal? Hoe overleefden ze? Hadden ze het wel overleefd?

IJsselmeer
Na wat zoekwerk gedaan te hebben bleek dat het avontuur niet was verzonnen. Er hadden daadwerkelijk drie Durgerdammer vissers in januari 1849 een bijna onvoorstelbaar overlevingsdrama meegemaakt. Het museum dat de tentoonstelling verzorgde was het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. De drie vissers waren zelfs langs dat stadje gedreven.
De onvrijwillige tocht had zich afgespeeld op mijn IJsselmeer; ik vaar daar vaak met onze zeilboot Fugitive II, dus wat er op de Zuiderzee was gebeurd had zich ook in míjn vaarwater afgespeeld, zo voelde het. Op zoek gegaan naar het boek over dit avontuur, bleek dat er niet te zijn*. Ik besloot toen het boek dat ik zo graag had willen lezen zelf te gaan schrijven.
* Er is in 1986 wel een (deels fictief) kinderboek over verschenen van de hand van Miek Dorrestein.

Elfstedentochtwinters en misleidende statistieken
Allereerst wilde ik weten hoe het de vader en zijn twee zonen – want daar ging het om – was gelukt om niet binnen één of twee dagen al dood te vriezen. De Zuiderzee was bedekt met een dikke laag ijs, in elk geval voldoende sterk om drie mannen en een slee met vismateriaal gedurende meerdere dagen te ondersteunen. En dat op zout water: de Zuiderzee was pas in 1932 IJsselmeer geworden, na vervolmaking van de Afsluitdijk. Het moest letterlijk stervenskoud geweest zijn.
Verbazing was mijn deel, toen ik op statistieken van het KNMI stuitte. De maand waarin de ijsvissers vast waren komen te zitten liet een gemiddelde temperatuur zien van 1,3°. Ik had het veel kouder verwacht. Zoiets als tijdens de Elfstedentocht van 1963, die in ons collectieve geheugen als gruwelijk koud is opgenomen (gemiddeld -5,3°).
Maar de crux bleek te zitten in het gemiddelde zelf. In december had het keihard gevroren, waardoor het zoute Zuiderzeewater was veranderd in een stabiele korst van een halve meter dik ijs. En op zaterdag 13 januari, de dag dat vader Klaas Klaassen Bording met zijn zoons Klaas (19) en Jacob (17) vanuit hun Durgerdammer huisje het ijs opstapten, zette de dooi in.

Botkloppen – een gevaarlijke noodzaak
De Bordings waren arm. Zo arm, dat ze op deze koude zaterdag de bevroren Zuiderzee op gingen om te ‘botkloppen’. Ze hakten met een bijl vijf gaten in het ijs om onder het ijs meerdere netten van elk vijftien meter lang te plaatsen. Het was een vermoeiend karwei, terwijl het eigenlijke botkloppen dan nog moest beginnen: met een klap lieten ze herhaald een groot blok hout op het ijs neerkomen. De op de bodem gelegen bot (platvis) zou opschrikken, wegzwemmen en in hun netten verstrikt raken.
Dat lukte. De mannen gingen zo op in hun succesvolle vangst, dat het hen was ontgaan dat de andere vissers die verderop bezig waren geweest al huiswaarts waren gegaan. Ook was de schemer ingevallen. Omdat ze op anderhalf uur lopen zaten van Durgerdam, verliep hun terugtocht in een steeds dreigender wordende duisternis. Dreigend, omdat de vele gaten in het ijs niet allemaal te zien waren. Het was eenvoudigweg te gevaarlijk om door te lopen. De mannen besloten de nacht op het ijs te blijven.
‘Ze hielden zich schuil onder het zeil dat ze tijdens het vissen hadden gebruikt om zich af te schermen van de wind. Om de nacht door te komen probeerden ze de slaap te vatten, wat natuurlijk niet lukte. Het regende, het was koud en ze hadden alleen een paar slokken lauwe koffie achter de kiezen. Ze hadden niets om zich aan te warmen, behalve elkaar. Als een zielig hoopje zaten de drie opeengepakt op de slee, onder een zeil waarop de regendruppels onafgebroken tikten. Zo kwamen ze de nacht door.’

Van God los
De zondag na hun doorwaakte nacht bracht geen verlossing. Het torentje van Durgerdam konden ze zien, maar ze werden van hun thuisdorp gescheiden door een rommelig stuk ‘waterijs’. De weg naar huis was afgesneden door de ingetreden dooi. Ze besloten door te lopen richting Uitdam, een stukje naar het noorden.
‘De kou striemde door Jacob’s onderkleding, maar met de moed der wanhoop klemde hij zijn kille vingers om het hout en zwaaide ermee richting de Uitdammers. Maar … die waren in geen velden of wegen te zien. Of de duvel ermee speelde, troffen ze het dorp net op het moment dat de dorpelingen in de kerk zaten. Tot overmaat van ramp zat de natuur de Bordings weer in de weg: aan het eind van de ochtend draaide de wind naar het noordwesten. Dat betekende dat hun ijsschots nu van het land af werd geblazen.’

Wind en kou, mist en regen
De volgende dagen en nachten kenmerkten zich door kou, mist en regen. Om hun slinkende krachten te sparen konden ze ’s nachts maar beter stilzitten, maar dat was wel de koudste optie. Ze namen zich voor om een volgende nacht – als die er zou komen – heen en weer te lopen op hun ijsplaat om niet teveel af te koelen. Het nadeel daar weer van was dat dat meer energie kostte.
‘Ze realiseerden zich dat ze iets moesten eten. Alleen: ze hadden niets meer, behalve de honderden dode vissen. Rauw. Uiteraard beschikten ze over geen enkele manier om de vis te verhitten. Alleen een mes was hen ten dienst om het grootste deel van de schubben eraf te schrapen. Met tegenzin beten ze in het rauwe vlees. Ze vonden het idee en de smaak van koude rauwe vis zo afschuwelijk dat de twee jongens niet in staat waren samen meer dan één vis te delen. Het was beter dan niets, maar het versterkte hun gevoel van ellende meer dan dat het hun krachten deed toenemen.’

Enkhuizen wenkte, de Noordzee dreigde
Ze probeerden aan land te komen bij het eiland Marken. Tevergeefs. Vervolgens liepen ze naar Muiden, Huizen, Naarden, Nijkerk. De kust bleef telkens op een afstand, dichtbij genoeg om te zien, ver weg genoeg om niet opgemerkt te worden. Zwemmen was geen optie – konden ze dat wel? Het ijskoude water zou ze trouwens direct verlammen.
Na een aantal dagen dreven ze door wind en tij naar het noorden. Een gevaarlijke richting, want dat was de kant van de open zee. De ijsvloer veranderde langzaam van één solide plaat naar grote beweegbare velden. Zo kwamen ze langs een dorp, waarin ze Enkhuizen dachten te herkennen. Ze zagen de klokkentoren en waren dichtbij genoeg om een hond te horen blaffen.
Ik vond het tijd om met eigen ogen en oren te ervaren hoe dichtbij hun redding had geleken en voer met onze Fugitive naar Enkhuizen. Op enkele mijlen uit de kust van Enkhuizen probeerde ik te reconstrueren wat de Bordings gezien hadden van het stadje, en vooral hoe ver ze er dan vandaan waren geweest. De enige geluiden die ik vanaf mijn bootje hoorde waren het vriendelijke geklots van de golfjes, het gezoem van de stuurautomaat die de Fugitive op koers hield – zodat ik mijn handen vrij had voor mijn imaginaire reis terug in de tijd – en het gedreun van een heimachine op de kust. Behalve het geklots, want dat is van alle tijden, waren deze geluiden verre van behulpzaam bij het afreizen naar 1849.
Het was helder weer en ik kon ver uitkijken over het groene water dat mij in de ochtendzon vanuit het oosten vrolijk tegemoet glinsterde. De weidsheid van de enorme vlakte waar ik op ronddreef was iets wat mijn situatie met die van de Bordings gemeen had, al was het onder compleet andere omstandigheden.
Ondanks de heldere lucht kon ik de overkant niet zien; het bleef toch een flink stuk water. De Bordings konden hun mogelijke kusten der redding zéker niet zien in hun natte en mistige wereld, dacht ik, en ik betrapte mezelf op het gebruik van de verkeerde kust als referentiekader: ik mijmerde over de huidige oostkust van het IJsselmeer. Die van de polders dus. De werkelijke afstand tot de oostkust van de Zuiderzee was in 1849 ongeveer twee keer zo groot. Er begon me zo langzaamaan iets te dagen van de grootte van het toenmalige ijsoppervlak. Het zou mij nu, al zeilend, minimaal een aantal uren kosten om ‘mijn’ oostkust te bereiken; de Bordings dreven en liepen met een veel lagere snelheid op een dubbel zo grote zee. Ik begon iets meer te begrijpen van al die tijd dat ze geen kust konden zien en in elk geval geen wal konden bereiken, en van het daarmee gepaard gaande gevoel van hopeloosheid
.’

Meer dood dan levend
Meer dan een week zaten ze nu op het ijs, en ze waren meer dood dan levend. Flarden kust hadden hen al meerdere keren valse hoop op redding gegeven. Het grootste dieptepunt in dat opzicht zou later volgen. In de buurt van Schokland, dat in 1849 nog een eiland was, zagen ze een zeilboot op hen afkomen – de Zuiderzee was door de dooi inmiddels deels bevaarbaar. En hun ijsschots was gevaarlijk gekrompen.
‘”Kijk daar, een schip!” Alle drie tuurden ze over de zee. Was het een schip dat hun kant opkwam?
“Ja, het is een schip! Ik zie het zeil!” Er was geen twijfel mogelijk: een visser kwam hun kant op. Zou dit hun geluksdag worden?
Het wás een schip, dat van beurtschipper Otten. Het voer van Zwartsluis richting Amsterdam. Het kwam recht op hen af; het kón niet anders dan dat ze gezien waren, dat dit hun verlossing inhield.
Het woord reikhalzend had hier ontstaan kunnen zijn, zo verlangend keken de mannen uit naar hun verlossers, het hoofd zo hoog mogelijk, de ogen wijd opengesperd, turend over het ijs. Een gloed van opwinding bracht enige vluchtige warmte. Eindelijk was het moment aangebroken dat ze zich zouden kunnen overgeven aan hun vermoeidheid, in de lang gehoopte verzorging en warmte van hun medemensen, die dus toch nog bleken te bestaan.
De wind was westzuidwest. Vanuit Zwartsluis zou een schipper die naar Amsterdam wilde moeten opkruisen. Dit was waarschijnlijk precies waar schipper Otten mee bezig was, want plotseling zagen de Bordings het schip van koers wijzigen. Het zou ook kunnen dat Otten wilde uitwijken voor de grotere ijsvelden. Hoe dan ook, de koerswijziging maakte duidelijk dat het niet om redders ging, want de platbodem voer inmiddels van hen af. Vol ongeloof zagen Bording, Klaas en Jacob hun drijvend koninkrijk verdwijnen. Hoeveel konden de Bordings verdragen? Er restte de mannen niets anders dan ook deze pijn te slikken.

‘Zee van ijs’
Het verhaal van de Bordings gaat nog verder, in meerdere opzichten. Ik wilde weten wat andere mannen hadden gedaan in vergelijkbare situaties. Ik ging op zoek naar voorvallen, kennis over onderkoeling, experimenten en verhalen over psychologische druk. Ik kwam verhalen tegen over leiderschap in extreme situaties.
Het zijn stukjes van een puzzel geworden, een puzzel die ik in elkaar heb proberen te leggen in het boek ‘Zee van ijs’. Daarin staat natuurlijk ook beschreven hoe het de drie Durgerdammer ijsvissers verder is vergaan, tijdens hun verdere overlevingstrijd. Maar ook de eerste dagen worden uitgebreid beschreven: wat ze deden, wie de leiding nam, waar ze hun hoop uit putten, waar de wanhoop ze toe dreef.
Nog steeds vind ik de overlevingsstrijd van de Bordings heel bijzonder. Het is een episch drama dat zich bij ons ‘om de hoek’ heeft afgespeeld. Het is oer-Hollands en desondanks relatief onbekend. Ik hoop met ‘Zee van ijs’ hun boeiende verhaal dichterbij te brengen.

Meer weten?
Lees Zee van ijs, uitgegeven bij Hollandia.

JanusHoewel 2013 nog maar net begonnen is, publiceert Ontdekkingsschrijver nu al een Lexicon (en kalender) van het jaar. Vraag niet hoe het kan. Geniet er van. Steek je tafelgenoten in 2013 de ogen uit met de kennis die je hier opdoet. Elke maand weer. Wat zij niet weten (maar jij nu wel) is waar al die termen die het jaar op onze Gregoriaanse kalender opdelen vandaan komen.

Maand – Een maancyclus, van nieuwe maan tot nieuwe maan, duurt gemiddeld ongeveer 29,5 dag. Hoewel kalendermaanden uit de Gregoriaanse kalender nu niets meer met de maancyclus te maken hebben, was de maan oorspronkelijk wel leidend voor het bij benadering vaststellen van de lengte van een maand.

Januari – De Romeinse god Janus is de naamgever van onze eerste maand van het jaar.

Februari – De laatste maand van de oude Romeinse kalender (die begon in de lente met maart) was er één om de rotzooi van het voorafgaande jaar op te ruimen. Typisch een maand om af en toe eens een schrikkeldag aan toe te voegen dus, om scheefgelopen verhouding tussen jaren, maanden en dagen mee op te lossen. De god Februus was van de purificatie, dus die nam die taak graag op zich.

Maart – De oude Romeinse kalender begon in de lente. Logisch eigenlijk, beginnen bij het begin. De eerste maand werd genoemd naar de vader van de mythische stichter van Rome (Romulus), de god Mars. Marlius was in de Romeinse kalender daarom de eerste maand van het jaar.

April – Aprilius betekende ‘tweede’ in het oude Rome.

Mei – Maius was de Romeinse godin van de groei. Haar naam paste mooi bij de maand die gekenmerkt werd door groei van de gewassen en van de pasgeboren dieren

Juni – Junius was de Romeinse godin die heerste over de hemelen.

Juli – Julius Caesar kreeg na zijn dood de vijfde maand van de Romeinse kalender naar zich vernoemd. Die had eerder nog geen eigen naam, maar heette simpelweg quintus, vijfde.

Augustus – Keizer Augustus wilde zijn naam terugzien in een maand, net zoals zijn voorganger Julius Caesar. Omdat juli al door laatstgenoemde bezet was, kreeg Augustus de maand daarna. Die had eerder nog geen eigen naam, maar heette simpelweg sextus, zesde.

September – Septum is Latijn voor zeven. De zevende maand in de oorspronkelijke Romeinse kalender werd september genoemd.

Oktober – Octo is Latijn voor acht. De achtste maand in de oorspronkelijk Romeinse kalender werd october genoemd.

November – Nove is Latijn voor negen. De negende maand in de oorspronkelijke Romeinse kalender werd november genoemd.

December – Deca is Latijn voor tien. De tiende maand in de oorspronkelijke Romeinse kalender werd december genoemd.

Wil je ook in 2013 ontdekkingsschrijvernieuws blijven ontvangen? Meld je dan aan voor ontvangst van de nieuwsbrief. Of volg @MichielvStraten op Twitter.

Laten we er voor het gemak even van uit gaan dat de persoon Jezus Christus bestaan heeft. Moslims kennen hem als profeet, Christenen als de zoon van god. Maar ook als je niet religieus bent zou je kunnen aannemen dat de mens Jezus er was, zo’n twee millennia geleden. Een preciezere tijdsaanduiding, daar is het me om te doen in dit blog. Om je donkere dagen voor kerst iets mee te verlichten.

De Iraanse monnik en rekenaar Dionysius Exiguus, die zich rond het nog niet bestaande jaartal 500 n.Chr. in Rome vestigde, leek behept te zijn geweest met een behoorlijke portie tactisch vernuft. Hij was het, die bedacht dat een jaarrekening vanaf de geboorte van Jezus Christus de man postuum goed zou doen – en de kerk zou helpen haar macht te consolideren. En zo geschiedde: Dionysius berekende dat Jezus in het Romeinse jaar 753 ter wereld was gekomen. De opstanding van de kruisdood was natuurlijk de grootste prestatie van Jezus geweest, en het paasfeest vormde dan ook het middelpunt van Dionysius’ berekeningen. De 25ste maart was al sinds de oude Romeinen een moment dat het begin van nieuw leven vertegenwoordigde – een nieuwe lente (op het noordelijk halfrond), een nieuw jaar, nieuw leven in flora en fauna, en in de vorm van de wederopstanding de dood van een man en de geboorte van een god. De geboorte van het kerstkind, op 25 december, is zo ook aan zijn datum gekomen. De 25ste maart viel op Goede Vrijdag toen Jezus 33 jaar oud was geweest – zijn sterfdag als mens, volgens Dionysius, en daarmee de conceptie van een nieuw en goddelijk leven. Niet alleen zitten er tussen 25 maart en 25 december precies negen maanden – ik geef toe, je moet wel enigszins flexibel van geest zijn om uit dergelijke rekensommen een geboortedatum af te leiden – maar 25 december was ook een belangrijke datum voor de heidenen uit die tijd. Op die dag vierden zij de winterzonnewende – het moment vanaf welke de dagen weer gingen lengen, de koudste, donkerste en moeilijkste tijd zich aan het omvormen was tot een vruchtbaardere, warmere en rijkere periode van het jaar. In feite werd de onoverwinnelijkheid van zon aanbeden. We schuiven gewoon aan bij dat feestje; zoiets moet Dionysius gedacht hebben, toen hij besloot dat 25 december de geboortedag van Christus zou zijn. ‘If you can’t beat them, join them.’
Het bewijs van het succes van zijn tactiek is nog elk jaar merkbaar, als veel Christenen én veel niet-gelovigen elk op hun eigen manier kerstmis vieren op 25 december, de dag waarop Jezus niet geboren is.

2012 is een magisch getal geworden. En, zoals we dat het liefst zien bij mysterieuze symbolen, komt dat fenomeen voort uit een uitgestorven beschaving, en is het getal zelf slechts met grote moeite door de nauwe flessenhalsopening van de geschiedenis gekropen. Die flessenhals stond voor het 16e eeuwse dieptepunt in de Meso-Amerikaanse indiaanse culturen. Zoals we uit de logboeknotities van Christoffel Columbus hebben kunnen zien, waren de Spanjaarden met hun ontdekkingen nou niet bepaald op wereldvrede uit geweest.

Die constatering geldt ook voor de Spaanse veroveringen door de zo poëtisch klinkende conquistadores; een woord geschreven met bloed in plaats van inkt. Deze veroveraars maakten snel na de ontdekking van de Nieuwe Wereld korte metten met de indianen en hun cultuur. Hernán Cortés veroverde Mexico (1519-1521), wat Fransisco Pizarro een paar jaar later inspireerde om de Inca’s in Peru te bestrijden (1522-1524); Diego Velázquez had Cuba toen al ingenomen (1511); Francisco Hernández de Córdoba krijgt de dubieuze eer om niet alleen de Maya indianen ontdekt maar ook grotendeels uitgeroeid te hebben (1517). Het zijn die laatste twee gebeurtenissen die indirect verantwoordelijk zijn voor de magie die het jaartal 2012 oproept, vijf eeuwen later.

De Maya cultuur, die zijn oorsprong waarschijnlijk al vierduizend jaar geleden beleefde, wordt tegenwoordig gezien als hoogstaand. Ze was rijk aan architectuur en beeldende kunst; wiskunde en astronomie waren ver ontwikkeld. Dat leek de Spanjaarden geen goede voedingsbodem voor een overheersing van hun kant. De conquistadores waren de mening toegedaan dat een cultuur die je uitroeit moeilijker in opstand kan komen dan één die in volle bloei is. Technocratisch gezien hadden ze daarin waarschijnlijk gelijk, menselijk en cultureel gezien betekende hun uitgangspunt een ware ramp. Het was er de oorzaak van dat van alle documenten uit de bibliotheken van de Maya er nog maar vier bestaan op de hele wereld. De rest werd door de Spanjaarden vernietigd. Eén van deze geschriften is de codex van Dresden; zo genoemd naar de huidige woonplaats van dit oudste bekende geschreven boek uit Amerika. Aangenomen wordt dat dit beschreven en beschilderde boek een 11e of 12e eeuwse kopie is van een origineel geschrift uit de klassieke tijd van de Mayabeschaving van enkele eeuwen eerder. Het bevat astronomische tabellen, almanakken en beschrijvingen van rituelen, voorspellingen van planeetbewegingen en seizoenen, allemaal in het veelzijdige en moeilijk te ontcijferen hiërogliefenschrift dat de Maya hanteerden. Het zal duidelijk zijn dat de zeldzaamheid van deze codex niet heeft bijgedragen aan een gemakkelijke ontcijfering ervan.
De Dresdener codex geeft, samen met de bouwwerken die de Spaanse overheersing overleefd hebben, aanwijzingen voor het door de Maya gehanteerde getallenstelsel, hun astronomische kennis en conclusies en, voortvloeiend uit die twee, hun kalenders.
Daarvan hadden de Maya er drie. De basis daarvan werd gevormd door hun twintigtallig stelsel, waarschijnlijk simpelweg gebaseerd op het tellen op vingers en tenen. (Het Maya woord ‘uinic’ geeft hiervoor een aanwijzing: het betekent zowel ‘een twintigtal’ als ‘een mens’.) De eerste van de Maya kalenders had 18 maanden van 20 dagen elk. Doordat de Maya goede astronomen waren, wisten ze dat er een verschil van 5 dagen zat tussen deze kalender en een zonnejaar van (ruim) 365 dagen. Vijf schrikkeldagen voegden ze toe – onheilspellende ‘lege dagen’, want ontfutseld aan de natuur. De indianen bleven op deze schrikkeldagen angstvallig binnen en ondernamen geen activiteiten. Deze kalender werd de ‘Vage kalender’ genoemd.
Een tweede kalender bevatte 13 cycli van 20 dagen. Het aantal van 13 cycli was afgeleid van het aantal ‘hemelen‘ uit hun mythologie. Dit resulteerde in een religieus jaar van 260 dagen, de ‘Tzolkin-kalender’. Ten slotte bestond er nog een Venus-kalender van 584 dagen; de periode die Venus nodig had om ten opzichte van de aarde en de zon in dezelfde positie te komen.
Een combinatie van verschillende elementen uit deze veelheid aan tellingen kwam bij elkaar in dat wat de ‘Lange Telling’ genoemd wordt. Die Lange Telling is uiteindelijk te herleiden naar het jaar 2012 – tenminste, als je van goede wil bent. Het ‘Vage jaar’ werd voor een Lange Telling nog eens twee keer met 20 en één keer met 13 vermenigvuldigd – getallen die zo’n basale rol speelden in het leven van de Maya, want menselijk (20) én hemels (13). Deze Lange Telling vormde in de ogen van de Maya een cyclus. Als start van deze cyclus was een dag gekozen die in onze kalender bekend is als 5 september 3114 v.Chr. Waarom die dag gekozen werd is niet geheel zeker, maar waarschijnlijk gaat het om een moment dat het leiderschap van een Maya koning op zijn opvolger was overgegaan. Zoals vaker in de geschiedenis zijn oorsprongen van tellingen meestal pas later in een ver en vaak mysterieus verleden gesitueerd – Romulus, Jezus, Mohammed – en zo was dat ook hier het geval. Hoe dan ook: wanneer je de Lange Telling start op de genoemde datum komt deze cyclus 1.872.000 dagen later ten einde, op 21 december 2012.

‘Daar moeten we iets mee’, moet iemand op een keer bij het wakker worden gedacht hebben. Om daar dan ook maar direct het einde der tijden aan te verbinden vond ik een wel erg grote stap. Maar dat was wel wat er zich in de hoofden van een aantal doemdenkers had genesteld, tegen het einde van het eerste 20ste eeuwse decennium. Er zijn diverse websites over gemaakt, musea houden er tentoonstellingen over, er zijn boeken over verschenen en een Hollywoodfilm kondigde het einde in al zijn spektakel aan.
Het meest werd ik getroffen door een gesprek met Susanne Andriesse¹, in een documentaire die door Netwerk in 2009 werd uitgezonden. Haar verhaal werd in de uitzending aangekondigd door een opgewekt het decor binnenstappende presentatrice, wier blik en stem een serieuze toon aannamen bij het introduceren van de documentaire. Susanne Andriesse werd thuis gefilmd. We stonden direct in haar slaapkamer. ‘Nou hier ligt ‘ie dus’, wees Andriesse ons op het nog ingepakte reddingsvlot, dat bovenop de slaapkamerkast lag te wachten op het einde der tijden. Andriesse, een blonde veertigster met een Rotterdams accent legde uit hoe zij aan de op handen zijnde ramp meende te gaan ontkomen. Nadat het water haar slaapkamerraam is ingestroomd (‘we zitten hier in Haarlem, best dicht bij de kust’) wil ze het vlot inspringen, Het zal vanzelf opengaan. ‘Zoals ze het voorspeld hebben is het 2012, in december, dus vlak voor de kerst – dan moeten wij in principe dus die poolshift gaan krijgen.’ De interviewster liet na te vragen wat dat inhoudt.
¹De dame in kwestie heb ik een andere naam gegeven, zodat ze het in 2013 wat minder druk zal hebben met het beantwoorden van vragen.
Alsof mevrouw Andriesse van haarzelf nog niet voldoende de schrik in haar benen had, trakteerde de Netwerkverslaggeefster haar op een bezoek aan de rampenfilm ‘2012’. Een typische Hollywoodfilm, dus daarmee waren de omstandigheden en het verloop van het verhaal van tevoren al uit te tekenen: gewone man lijdt gewoon leven met bovengemiddeld knappe vrouw, ontpopt zich als zo ongeveer de enige die doorheeft dat op 21-12-2012 de wereld zal vergaan, krijgt gelijk, maar redt desondanks zichzelf, zijn gezin en vooral veel andere Amerikanen. Dit alles tegen een even gewelddadig als onwaarschijnlijk decor van openscheurende grond, in de aarde wegzakkende bergen en vooral heel veel water. Susanne slaat haar hand voor haar mond bij het zien van de massa’s water die de Tibetaanse bergen overstromen. Ze deinst achteruit in haar bioscoopstoel.
‘Wetenschappelijk gezien is dit absolute lariekoek’, stelt wetenschapsjournalist Maarten Keulemans de verslaggeefster na afloop gerust. In zijn boek Exit Mundi – het einde van de wereld, de 50 beste scenario’s, schrijft hij: ‘De Lange Telling duurt 28.500 jaar. Dat is best een flinke periode, maar aangezien de aarde al een ongelooflijke 4.500 miljoen jaar rondjes draait om de zon, heeft de aarde het ‘einde der tijden’ van de Maya’s al meer dan 150.000 keer doorstaan.’ Susanne Andriesse heeft hij er niet mee kunnen overtuigen; zij pakt nog wat extra flessen drinkwater in haar overlevingspakket.
Susanne Andriesse staat niet alleen in haar vrees. De Belg Patrick Geryl heeft een website met de veelzeggende naam www.howtosurvive2012.com – om de website binnen te gaan moet je op een woest in brand staande zon klikken. Dat biedt vervolgens een beschrijving van wat ons te wachten staat: veranderingen in het magnetische veld van de zon, resulterend in een omkering van het magnetische veld van de aarde, met als gevolg aardbevingen, tsunami’s, schuivende aardkorst en overstromingen tot op 3 kilometer hoogte. Maar ook deze man zal dat niet gelaten over zich heen laten komen – net zoals Susanne Andriesse bereidt hij zich voor: 5 gebergtes zijn al door hem uitgekozen om overlevingsbunkers in te bouwen. Iedereen met voldoende geld mag meedoen. Na alle verschrikkingen die zijn website verkondigt gloort er hoop onder het kopje ‘Finally’: ‘We, the survivors of 2012, will be able to compensate for the mistakes that have been made, like those in the area of ecology. You, a follower of an ecological wisdom paradigm, can associate with this for sure. You will have at your disposal an ambitious construction project together with all the relevant scientific information. As a result of that, a paradise-like civilization can rule on earth within a few hundreds to thousands of years.’ Net een hollywoodfilm, bedenk ik. En dat allemaal doordat de Maya’s 13 hemels telden en een twintigtallig stelsel hanteerden.

Op internet, en niet alleen daar, volgen de speculaties over 2012 elkaar in hoog tempo op. Naast de nuchtere reacties uit wetenschappelijke hoek, die zonder uitzondering de speculatie beargumenteerd bestempelen als mythe, zijn er ook reacties van ‘de gewone mens’. Bij het lezen ervan krijg ik af en toe het gevoel alsof ik me in een andere dimensie bevindt.
Om u te laten zien wat getallengekte bij mensen los kan maken, geef ik u de volledig willekeurig door mij gevonden eerste twee reacties. Echt, meer dan het invoeren van ‘2012’ in Google en klikken op de eerste link die naar voren kwam heb ik niet gedaan. (Het is wel van enige tijd geleden.) Iemand schrijft: ‘Ik heb ergens gelezen dat de zonne-energie verandert en dat we dan opnieuw beginnen zonder elektriciteit maar dan op een hoger niveau. Dus dat we de dingen die we hebben uitgevonden niet meer kunnen gebruiken omdat de energie niet meer klopt of zo.’ Benieuwd geworden hoe andere websurfers hier weer over denken, begin ik met het lezen van de hierop volgende reactie: ‘Ik geloof niet dat de Maya’s gelijk hebben of gelijk krijgen.’ Dat klinkt enigszins hoopvol, hoewel ik niet geloof dat de Maya erop uit waren om gelijk te krijgen met een voorspelling die ze niet gedaan hebben. Echter, verder lezend neemt de argumentatie ineens een verrassende wending, want dezelfde persoon vervolgt: ‘Ik geloof meer dat de Bijbel gelijk gaat krijgen. Waar halen ze 2012 vandaan? Op grond van welke berekeningen baseren zij dit? Niet uit de Bijbel, die geeft een heel andere berekening. Volgens de Bijbel zal het pas in 2034 geschieden, dat deze wereld, of Bijbels gezegd, ‘dit samenstel van dingen (Satans wereld)’, ten onder zal gaan. Noach bouwde de ark voor de zondvloed in 120 jaar. En vanaf 1914 een Bijbels magisch jaar gerekend is 1914 plus 120 jaar 2034. Om 1914 te verklaren moeten we uit Daniël 4 vers 13-16 vernemen dat er zeven tijden der heidenen zijn. In het jaar 606 voor christus moest de laatste koning van Israel, Zedekia, zijn kroon afzetten. Van 606 voor christus tot 1914 na christus is 2520 jaar – het tijdsbestek van de zeven tijden der heidenen.’

Meer dan wat dan ook, tonen dergelijke speculaties waarschijnlijk vooral iets aan over de betrouwbaarheid van uitkomsten, wanneer je rekenwerk overlaat aan believers.

Hoewel we in december bij bezoek van Spaanse geestelijken al snel denken aan Sinterklaas, kon er in vroeger jaren nogal eens heel wat kwaads uit Spanje ons land bezoeken. Met behulp van de Spaanse Inquisitie, die van 1478 tot aan 1834 huishield onder vermeende ketters, probeerde de katholieke kerk haar macht te consolideren. En niet door het uitdelen van cadeautjes.

De Latijnse term inquisitio betekent onderzoek, maar de inquisitie deed veel meer dan alleen onderzoeken. Met een wreedheid die zo uit het oude testament lijkt te zijn weggelopen deden de inquisiteurs hun heilige werk. De aanzet tot oprichting van de Inquisitie werd gegeven in de twaalfde eeuw, en getuigt van een creatieve geest van de oprichters. Om zijn ketterse vijanden te bestrijden had de paus bedacht dat hij die wel uit de weg zou willen ruimen, maar ‘hoewel ik de dood van de vijanden van Christus wens, kan ik ze, als monnik en priester, niet ter dood brengen.’, aldus een pauselijke afgezant. Dat zou de wereldlijke macht dus maar moeten doen, na opsporing door de kerk: de inquisitie was geboren. Toen in 1243 paus Innocentius IV (mooie naam) besloot dat bij het verhoren van verdachten ook marteling was toegestaan, steeg de Inquisitie boven zichzelf uit en vormde een even grote als destructieve macht.
Inquisiteurs kwamen naar een dorp en organiseerden een bijeenkomst waarop men zijn ketterij kon opbiechten. Afwezigen waren bij voorbaat verdacht. Beschuldigingen werden vaak anoniem gedaan, wat de betrouwbaarheid ervan natuurlijk niet ten goede kwam. Protestanten konden worden opgepakt, gemarteld en gevangengezet zonder ooit een verdachtmaking te horen. ‘De meestgebruikte martelmethoden waren de garrucha, toca en potro. Bij de garrucha werd de ondervraagde opgehangen aan de armen, die al dan niet achter zijn rug gebonden waren. Aan de voeten van de verdachte werden gewichten bevestigd, en vervolgens werd de verdachte herhaaldelijk opgehesen, om deze vervolgens weer een stuk te laten vallen. Het resultaat was vaak niet alleen hevige pijn, maar ook luxatie (het uit de kom schieten van gewrichten). Bij de toca, ook wel waterfoltering of waterboarding genoemd, werd een doek in de mond van de ondervraagde ingebracht, waarover water werd gegoten. Hierdoor ontstond bij de verdachte het gevoel te zullen verdrinken. Het meest gebruikt was de porto (beter bekend als pijnbank of rekbank), waarop het lichaam van de verdachte onnatuurlijk werd uitgerekt, met hevige pijn en soms verminking tot gevolg. De bekentenissen die gedaan werden als gevolg van deze martelingen werden, samen met de duur en aard van de martelingen zelf, door een notulist vastgelegd, en werden door de Inquisitie als geldig beschouwd.’ (Bron: wikipedia.)
Verbanning, boetes of dwangarbeid behoorden tot de mildste straffen. De sterksten van geest die werden aangeklaagd maar weigerden om een bekentenis af te leggen werden levend verbrand. De gelukkigen onder de aangeklaagden werden eerst gewurgd, voordat ze op de brandstapel gingen.
Schattingen van het aantal processen van de Inquisitie lopen uiteen van tienduizenden tot 150.000.

Op 22-11-12 (let op, twee keer het gekkengetal) meldt de website nu.nl: ‘Eiland blijkt onvindbaar – Een eiland in het zuiden van de Grote Oceaan dat op Google Earth en Google World Maps staat aangegeven blijkt volgens Australische wetenschappers niet te bestaan.’ Het gaat om Sandy Island, dat in de Koraalzee zou moeten liggen. Sandy Island wordt overigens ook wel Sable Island genoemd. De naamsverwarring is misschien wel illustratief voor het leven van het eiland zelf: vol mysterie en verwarring.

Nu.nl meldt verder: ”Omdat het eiland op verschillende kaarten is aangegeven, gingen we het bekijken, maar er was helemaal geen eiland”, vertelde Dr. Maria Seton van de expeditie. ”Het is een raadsel en heel bizar. We hebben geen idee hoe het eiland op wereldkaarten terecht is gekomen, maar dat gaan we zeker uitzoeken.”
Dat zijn nog eens mooie ontdekkingen. Een eiland, ooit ontdekt, wordt ontontdekt. Of zoiets. Meestal ontdekken mensen het bestaan van iets, maar in dit geval lijkt het niet-bestaan van iets te zijn aangetoond. Er is dus niets ontdekt, zou je kunnen zeggen. Maar dat is een formulering die misschien meer verwart dan ontwart.
Een historische variant op dit verdwenen eiland is dat van de Morrell en Byer Eilanden. Deze eilanden werden in 1825 ontdekt door Kapitein Benjamin Morrell. Deze zeeman was succesvol in navigatie en belabberd in het zakendoen. Morrell was geboren in 1795 in New York en moet van grote prestaties gedroomd hebben, gezien zijn verdere levensloop. Op zijn zeventiende liep hij weg van huis, richting zee. Dat resulteerde tien jaar later in het commando over een schoener, waarmee hij de Stille Oceaan over voer. Hij zou in de jaren daarna in dienst van diverse scheepseigenaren varen. Die waren weinig tevreden over Morrell’s zakelijke instincten. Omdat zijn ambitie groter was dan zijn succes als koopman noemde hij het eerste eiland dat hij in 1825 ontdekte naar James Byer, de eigenaar waar hij op dat moment voor voer. Byer Island lag ten noordwesten van Hawaï. Echter, James Byer’s zakelijk instinct was op zijn beurt groter dan zijn ontvankelijkheid voor vleierij, en Morrell werd ondanks zijn geste ontslagen; niet voor het eerst, en niet voor het laatst. Op dezelfde trip had Morrell echter nog een eiland ontdekt, dat hij, bescheiden als hij was, naar zichzelf noemde. In juli 1825 was de wereld twee eilanden rijker geworden.
Morrell was gedurende zijn leven zeer succesvol in het verzamelen van mislukkingen: al zijn ontslagen; enkele scheepsrampen; impopulariteit in zo ongeveer alle havens die hij ooit had aangedaan; ontdekkingen van eilanden die al lang ontdekt waren door iemand anders; het verlies van dertien van zijn bemanningsleden doordat die werden opgegeten door kannibalen. Maar met de ontdekking van de Morrell and Byer Islands had hij zichzelf voorgoed op de kaart gezet. Nou ja, niet helemaal voorgoed, want tegenwoordig zul je op een wereldkaart tevergeefs naar deze eilanden zoeken. Ik heb geen verstand van geologie, dus ik zou niet kunnen zeggen hoe lang het ontstaan van een eiland van enkele kilometers omtrek ongeveer duurt, maar zo snel als in juli 1825 zijn er in elk geval nog nooit eilanden ontstaan. Morrell had ze namelijk verzonnen. Zijn leven was even grillig als leugenachtig geweest.
Dat kon echter de commerciële scheepvaart er lange tijd niet van weerhouden om met een grote boog om deze eilanden heen te varen. Veiligheid voor alles. Daar kwam in 1875 verandering in door toedoen van Kapitein Sir Francis Frederick Evans. Als hydrograaf van de Britse Marine gaf hij het bevel om de Stille Oceaan te ontdoen van meer dan honderd eilanden. Niet met kanongebulder, maar heel stilletjes. Het ging namelijk om broertjes en zusjes van de Morrell and Byers Islands, zijnde allemaal niet bestaande stukken land. Er werden uiteindelijk 123 niet bestaande eilanden van de kaart verwijderd – de enige keer in het bestaan van de Britse Marine dat deze zeemacht iets létterlijk van de kaart heeft geveegd. Leuke bijkomstigheid was dat er bij die 123 verdwenen eilanden ook 3 wél bestaande eilanden zaten. Die moesten later dus opnieuw cartografisch in hun bestaan bevestigd worden.

ZomertijdDe Amerikaanse staatsman Benjamin Franklin schreef in de 18de eeuw op cynische wijze over de ‘liefde van de Parijzenaars voor laat opstaan hun daarmee gepaard gaande vertrouwen op kunstmatige verlichting in de late avond.’ Misschien dat dat de Brit William Willet ter orde was gekomen, vele jaren later, want deze Engelsman stelde voor om in de zomer langer van het daglicht te profiteren.

Niet door de mensen zich aan de tijd te laten aanpassen, maar door de tijd aan de mensen aan te passen. Het idee van de Daylight Saving Time (DST) was geboren. De klok moest in het voorjaar een uur vooruit gezet worden (en in het najaar een uur terug), zodat de mensen ’s ochtends zouden kunnen profiteren van het vroege zonlicht en ‘s avonds een uur minder gebruik hoeven maken van energievragend kunstlicht. De idee was eenvoudig: de uren vanaf zonsopgang, in de zomer al rond 05.00 of 04.00 uur ’s ochtends, werden door vrijwel iedereen in de duisternis achter de dichte oogleden doorgebracht, terwijl men in de loop van de avond bij de invallende schemering een beroep moest doen op kunstlicht. Dat kostte onnodige hoeveelheden energie; het levensritme een uurtje verschuiven zou elke zomerdag een uur kunstlicht minder vergen. De simpelste oplossing, een uur eerder opstaan dan men gewend was, bleek het moeilijkst om te realiseren. De mens is nu eenmaal een gewoontedier dat, als het maar even kan, liever de hem omringende natuur verordonneert zich naar zijn wens te schikken dan zich zelf aan het ritme van de wereld aan te passen. In dat inzicht zou dan ook het succes van DST besloten liggen. Maar de invoering ervan was niet iets wat zonder slag of stoot zou gaan. Tegenover elk goed argument om DST in te voeren stond wel weer een tegenargument. Willet had uitgerekend dat het gebruik van een uur extra zonlicht gedurende 210 dagen per jaar Groot-Brittannië alleen al een besparing aan energiekosten van minimaal £ 2,5 miljoen op jaarbasis zou opleveren (het equivalent van £ 100 miljoen tot £ 200 miljoen tegenwoordig). Fruittelers zouden hun fruit in de koelere ochtenduren kunnen plukken – landbewerkers echter protesteerden omdat zij een uur zouden verliezen: ze konden pas gaan hooien als de zon de dauw op het veld had opgedroogd. Voorstanders wezen op het extra uur dat mensen zouden hebben na het werk, om van de vrijheid in het zonlicht te genieten – tegenstanders vonden dat je niet moest toegeven aan luiheid en gewoon een uur eerder op moest staan. Verkopers van sportartikelen zagen in het uur extra daglicht meer omzet van bijvoorbeeld golfartikelen – theatereigenaren brachten naar voren dat zij juist daar dat extra daglicht publiek zouden verliezen, mensen trokken immers pas richting de theaters na zonsondergang. Optimisten wezen op het betere zicht dat automobilisten tijdens de avondspits zouden hebben, met een daling van het aantal ongelukken als wenselijk gevolg – pessimisten met gevoel voor de onontkoombaarheid van statistiek schetsten juist dat treinongelukken direct na het invoeren van DST onvermijdelijk zouden zijn, door de verwarring die het gesjoemel met de tijd zou opleveren. Progressieven benoemden DST als vooruitgang – een Amerikaans conservatief congreslid daarentegen dat zich later in de discussie zou mengen stelde gekscherend voor dat de regering dan ook maar speciale thermometers beschikbaar moest gaan stellen met het vriespunt gemarkeerd op 45ºF (º C) in plaats van op 32ºF (0º C), zodat mensen als vanzelf hun thermostaat ook 13ºF lager zouden zetten. Misschien wel de meest opmerkelijke oppositie tegen DST kwam van William Bell en Jacob Rosenwasser in New York. Hun onderkomen aldaar bestond uit de Sing Sing Prison, afdeling Death Row. DST zou negen dagen voor hun ontmoeting met de elektrische stoel ingevoerd worden, waardoor de toch al korte resterende levensduur van deze twee veroordeelde moordenaars ook nog eens met een uur verkort zou worden. (Het tijdstip van hun executie zou niet verzet worden).
Wat de Britten, en later ook andere groepen, vooral deden nadat Willet zijn voorstel in 1907 had beschreven was erover discussiëren, jaren lang. De Grote Oorlog die in 1914 uitbrak maakte energiebronnen schaarser dan ze al waren. Dat wisten de Engelsen ook, maar toch zou het hun vijand zijn die dit principe van energiebesparing voor het eerst in de praktijk zouden brengen. Sommerzeit werd door de oorlogsmachinerie van Duitsland vanaf april 1916 ingevoerd. De Engelsen werden wreed opgeschrikt uit hun discussie over hun Daylight Saving Time en konden nu niet meer achterblijven. Een maand later voerden zij hun zomertijd in. Nederland volgde. DST of Zomertijd, zoals wij het kennen, was duidelijk een oorlogskind: ingevoerd tijdens WO1, afgeschaft na 1918; weer ingevoerd in WO2, uitgezet na 1945. Pas tijdens een volgende grote crisis, de oliecrisis van de jaren zeventig, werd Zomertijd weer ingevoerd. Sindsdien weten we niet beter dan dat wij elk jaar op twee momenten machtiger zijn dan de zon, tijdens het switchen tussen zomer- en wintertijd.

Paus Gregorius wilde in 1582 zomaar tien dagen uit de kalender verwijderen. De zon, de dagen, de nachten: ze vormen de hartslag van het leven – kon je ongestraft zomaar tien van die hartslagen overslaan? Velen vonden van niet. Hoewel in de middeleeuwen de zon niet meer de hoogste baas was – haar plaats was immers ingenomen door God – werd tijd alsnog niet gezien als iets maakbaars, manipuleerbaars. Daarvoor waren ook bewijzen, even duidelijk als middeleeuws.

Het uit de pas lopen van de Juliaanse kalender met het zonnejaar was al bekend vóór de tijd van Gregorius. Zijn collega Paus Clemens IV had in 1347 ook al een inhaalslag aangekondigd. Vier dagen zouden moeten worden overgeslagen, in 1349. Toen het eenmaal zover was, was een kalendercorrectie het laatste waar de aandacht naar uit ging. Die werd in beslag genomen door de Zwarte Dood. Heel Europa hoestte bloed op, zat onder de builen en kreeg zwarte en paarse vlekken op de huid. Europa was ziek, en Azië, waar de dodelijke ziekte vandaan kwam met haar. De pest raasde over het continent en zorgde alleen al in Europa voor 30 miljoen dodelijke slachtoffers – ongeveer een derde van de gehele bevolking werd door de Zwarte Dood meegevoerd op zijn genadeloze reis. Niet alleen de ziekte maar zelfs de pestdokters, degenen die de pandemie tevergeefs probeerden te bestrijden, zagen er dreigend uit met hun lange gewaad, masker en snavel. In de snavel zaten kruiden, bedoeld om het inademen van bedorven lucht tegen te gaan. Een zinloze maatregel, omdat de pest wordt overgedragen door een bacterie, via vlooien en zwarte ratten – diersoorten die in de veertiende eeuw zo ongeveer behoorden tot het meubilair van het dagelijks leven. In de straten van Europa stonk het in het jaar 1347 naar de dood. Alsof de Zwarte Dood wilde aantonen dat hij even onontkoombaar was als het voortschrijden van de tijd, begaf hij zich in de richting van de wijzers van de klok door Europa door achtereenvolgens Italië, Frankrijk, Spanje, Engeland, Duitsland, Noorwegen en Rusland. Handel en oorlog – twee primaire levensbehoeften, zou je kunnen zeggen – zorgden voor verspreiding, ook naar de omringende landen. De eerste afdoende maatregel tegen bacteriën werd pas in de 20ste eeuw ontdekt. Bij de tijd van de Zwarte Dood hoorden andere soorten ontdekkingen. Zoals dat over de datum van 20 maart 1345, waarop Saturnus, Jupiter en Mars in samenstand waren. Ook stond Mars in een hoek van 40° met Aquarius. Met het uitblijven van werkelijke kennis over de oorzaken van de Zwarte Dood werden deze astronomische verschijnselen gezien als mogelijk samenhangend met het uitbreken van de pest. Als dat bizar klinkt nodig ik u uit eens in uw omgeving te vragen naar wie wel eens een horoscoop leest.
Planeten, de zon, sterren – daar kwam het kwaad vandaan. Maar ook aan de hemelen werd het onheil toebedacht: de pest was een straf van God voor de zondige mens. De kerk kon zijn handen niet in onschuld wassen: zijn inhaligheid had deze ramp mede veroorzaakt. En dat alles aan de vooravond van de aankondiging door de hoogste in rang van diezelfde kerk, Paus Clemens IV, over een aanstaande kalenderherziening.

Met de hemellichamen als radertjes van het bestaan moet je niet sollen, zo was ook in 1582 bij veel mensen de opvatting. De naderende verdwijning van tien dagen bracht herinneringen boven aan de zwarte tijden die de Zwarte Dood had gebracht. Als geïrriteerde planeten niet voor dood en verderf zouden zorgen, dan toch op zijn minst God zelf wel. En wat te denken van de heiligen? De bestaande kalender vormde voor veel katholieken een aaneenschakeling van heiligendagen – de lijst van ‘naam- en heiligendagen’ zoals die tegenwoordig door de katholieke kerk is vastgesteld bevat er bijna 150 per jaar, van ‘Heilige Maria, moeder van God’ op 1 januari tot en met ‘Heilige Stefanus, diaken en eerste martelaar’ op 26 december. Hoe zouden die heiligen reageren, als de mensen ze ineens op een andere dag gingen herdenken? Zouden die zich voelen als een jarige zonder visite?
De religieuze verdeeldheid die sinds de door Luther ingezette Reformatie bezit had genomen van West-Europa, maakte dat het woord van de Paus niet ieders wet was. Het katholieke Italië en ook Spanje waren de enigen die en masse gehoor gaven aan de opdracht van Gregorius XIII. De inwoners van deze landen deden ’s avonds op 4 oktober het licht uit, om de volgende ochtend door het zonlicht van 15 oktober gewekt te worden. Protestanten dachten daar anders over, zeker omdat Gregorius zijn autoriteit had verkregen van het Concilie van Trente, de vergadering van de leiders van de katholieke kerk, waar nota bene de contrareformatie was gestart: het heroveren van het geestelijke en wereldlijke terrein dat was gewonnen door de protestanten. Dat maakte voor veel protestanten alles dat alleen al riekte naar Trente en Pauselijke wierrook direct verdacht en onacceptabel. Zij verwierpen de correctie. Zo schreef de Duitse hoogleraar in de theologie Jakob Tübingen:
‘We erkennen deze Lycurgus* de kalendermaker niet. Hij is geen herder maar een huilende wolf. Hij wil zijn walgelijke wetten, zijn heidense, ontheiligende praktijken en zijn boosaardige, gevaarlijke en goddeloze dogma’s beetje bij beetje opdringen aan onze kerkgemeenschappen’
* Lycurgus de draak, waarvan gezegd wordt dat zijn wetten in bloed zijn opgetekend. (Citaat uit De Kalender van David Ewing Duncan).

De angsten, onzekerheden en verschillen van overtuiging die over het 16e eeuwse Europa hingen zorgden ervoor dat de Gregoriaanse kalender met enkele flinke hink-stap-sprongen zijn weg door de geschiedenis vervolgd heeft. De eerstvolgende lente zou in Italië en Spanje op 21 maart beginnen, zoals bedoeld, maar in veel protestantse gebieden zou de equinox in 1583 weer op 11 maart plaatsvinden, net zoals de jaren ervoor. Frankrijk, hoewel grotendeels katholiek, vond de kalender iets seculiers, niet een speeltje van de Paus dus, en ging later in 1582 pas over tot het verwijderen van tien dagen uit het openbare en huiselijke leven; hier werd 9 december gevolgd door 21 december. In de Nederlanden ging de provincie Holland in december over op de Gregoriaanse jaartelling, en Zeeland pas in januari. Dat leidde tot de situatie dat tijdreizen plotseling mogelijk was: Hollanders zouden op (hun) 1 januari 1583 terug in de tijd kunnen reizen door zich naar Zeeland te verplaatsen en daar aan te komen in 1582. Dat toepassend op bijvoorbeeld een overlijden, zou kunnen betekenen dat iemand eerder zou worden begraven dan dat hij zijn laatste adem uit had geblazen. Boeren veronderstelden zelfs scheuringen in het dierenrijk, als een deel van de vogels hun trek naar het zuiden zouden gaan aanvangen en de rest nog niet.
Europeanen leefden op één continent maar in twee tijden. Tegelijkertijd weliswaar. Om elkaar te begrijpen was het noodzakelijk geworden om bij datumaanduidingen van officiële gebeurtenissen als trouwerijen, overlijden en zakelijke contracten en afspraken te vermelden om welk soort datum het ging: de Oude Stijl (OS) of Nieuwe Stijl (NS). Dat schiep misschien wel enige duidelijkheid, maar had nog steeds als gevolg dat bijvoorbeeld Pasen op twee verschillende dagen in het jaar gevierd werd. Dat moet een doorn in het oog geweest zijn van alle gelovigen, want Pasen was nou eenmaal de heiligste der dagen.
Nederland, Duitsland en Denemarken maakten op 18 februari 1699 de sprong naar de maand maart; het verschil tussen de Juliaanse en Gregoriaanse kalender was hier door het verstrijken van de tijd nog een dag groter geworden en gegroeid tot 11 dagen. De Zweden wilden de weg van de geleidelijkheid volgen en de schrikkeldagen tussen 1700 en 1740 overslaan, maar een militaire nederlaag, hen toegebracht door de Russen, deed hen geloven dat dat dieptepunt het gevolg was van het gerommel met de dagen – de Russen noteerden de dag van hun overwinning als 27 juni 1709 (OS), de Zweden als 28 juni 1709 (‘ZS’) en de meeste andere naties als 8 juli 1709 (NS) – en gingen in 1712 terug naar de Juliaanse kalender door toevoeging van een 30ste februari in dat jaar.
Engeland sloeg op 2 september 1752 elf dagen over naar de volgende dag, 14 september. Dat had veel voeten in de aarde gehad. De Britten hadden er 170 jaar over gedaan, gevuld met politiek, ruzies, oorlog met Spanje, zussenstrijd tussen de katholieke Queen Mary en de protestantse Queen Elisabeth, astronomische berekeningen en nieuwe hervormingsvoorstellen. De maatschappelijke onrust over de kalenderhervorming werd zelfs politiek aangewakkerd met het gebruik van de slogan ‘Give us back our eleven days’.

Pas in 1753 sloot Zweden zich aan bij de Nieuwe Stijl. Zwitserland was pas over in 1811, de Duitse protestanten gingen in 1755 pas in hun geheel akkoord met een leven in een nieuwe tijd.
Japan koos in 1873 voor de Gregoriaanse kalender. Talloze landen zijn pas in de 20ste eeuw overgegaan: Bulgarije, Letland, Litouwen, Estland, Roemenië, Joegoslavië, Rusland, Griekenland. In China duurde het zelfs tot 1949. Dat betekent overigens niet dat de hele wereld nu in hetzelfde tijdperk leeft. Orthodoxe Russen, Serviërs, Macedoniërs, Georgiërs, Polen en inwoners van Jeruzalem gebruiken nog steeds de Juliaanse kalender als het om christelijke feestdagen gaat; zij lopen nu dertien dagen uit de pas met hun civiele kalender, die ook de onze is. De orthodoxen in deze landen vieren het kersfeest op 7 januari.

Geld heeft een opmerkelijke reputatie. Twee, eigenlijk. Enerzijds wil het overgrote deel van de mensheid er bij voorkeur zoveel mogelijk van bezitten, of in elk geval ruim voldoende om aan zijn behoeften te voorzien – behoeften die opschuiven naar andere categorieën naarmate we over meer financiële armslag beschikken. En iets meer of veel meer dan ruim voldoende is ook goed.
Tegelijkertijd heeft geld een zeer dubieus imago.

De uitspraak ‘geld stinkt niet’¹ heeft alleen bestaansrecht doordat sommigen beweren dat geld wel stinkt. Vraag een Nederlander hoeveel hij maandelijks verdient, en je maakt geen vrienden. Of in elk geval is het zeer onwaarschijnlijk dat je een antwoord op je vraag krijgt. Vraag iemand wat het belangrijkste in het leven is, en hij zal zaken opnoemen als zijn gezin, liefde, geluk en gezondheid – tenminste, wanneer hij over voldoende geld beschikt om het benodigde onderhoud aan deze waarden te plegen. Zo’n expliciete vraag vinden we onbehoorlijk. Waarschijnlijk komt dat door de vooraanstaande positie die geld in ons leven is gaan spelen: als meetlat. Als we vragen hoeveel iemand verdient, vragen we in verpakte vorm naar wat hij waard is. En dat hoor je niet te doen.

Blijkbaar is geld iets waar we niet expliciet over behoren te praten. Misschien komt dat wel doordat één van de eerste internationale vormen van geld zijn oorsprong vond in de hel. Althans, zo werden de zilvermijnen in Potosí beschouwd, waarin mijnwerkers afdaalden om het glimmende metaal aan de berg te onttrekken om muntgeld van te maken. Het werken in de mijn zelf, uitgegraven in de Cerro Rico (‘Rijke Berg’), die in 1545 door de Inca indiaan Diego Gualpa was ontdekt als zijnde een berg van massief zilvererts, was gruwelijk, zwaar en levensbedreigend. Fransisco Pizarro was in 1530 met zijn conquistadores Peru binnen getrokken om zijn Spaanse vorsten Ferdinand en Isabel – dezelfden die Columbus op weg hadden gestuurd op zoek naar uitheemse rijkdom – te verrijken met een maximale hoeveelheid goud en zilver. Als er iets een illustratie vormt van de ondergeschiktheid van het belang van gezin, liefde, geluk en gezondheid aan dat van geld, is het wel de manier waarop Pizarro vond zaken te moeten doen met de indianen: hij slachtte ze af. De zilvermijn werd door de Spanjaarden vervolgens volgestopt met indianen die nog over waren. In beginsel nog voor een vergoeding, maar na verloop van tijd was er geen indiaan meer te vinden die zijn gezin, liefde, geluk en gezondheid en uiteindelijk zijn leven in de waagschaal wilde stellen voor het naar boven halen en bewerken van de door de Spanjaarden gewilde zilvererts. De inheemsen waren alleen nog maar met dwang de mijnen in te krijgen, was de conclusie van de conquistadores. En zo geschiedde. De tweehonderd meter diepe en donkere mijnschachten stonken naar de dood. Geld stonk daar dus wel degelijk. Om het zilvererts bruikbaar te maken voor omsmelting tot muntgeld moest het vertrapt worden samen met kwik, wat een uiterst giftig goedje is. Het mengsel werd daarna gewassen en verbrand. De luchten die hierbij vrij kwamen waren zeer giftig (de mijnen zijn dat tegenwoordig nog steeds). De mijnwerkers ademden zwaar, op hun afdaling van de gevaarlijk steile trappen, diep in het binnenste van de berg, die op zichzelf al door zijn hoge ligging en de ijle lucht het ademen zwaar en moeizaam maakte. Zwarte rijkdom omringde hen; het zwart was voor de tot slaaf gemaakte indiaan, de rijkdom voor de Spanjaard. De afdaling was gevaarlijk, de weg terug, met een rugzak vol erts, gevaarlijker. De mijnwerkers die niet stierven als gevolg van een fatale val of giftige dampen gingen dood of raakten gewond door calamiteiten als aardverschuivingen. De berg en de mijn werden beschreven als ‘een hellemond’ en ‘helse groeven’. ‘Als er op maandag twintig gezonde indianen naar binnen gaan, kan de helft er op zaterdag verminkt uitkomen’, schreef een getuige. De conclusie van een ander was: ‘Elke Pesomunt die in Potosi is gemaakt heeft het leven van tien indianen gekost, die diep in de mijnen zijn omgekomen.’ Toen de voorraad indianen opraakte, importeerde de Spanjaarden nieuwe slaven uit Afrika.

(¹De Romeinse keizer Vespasianus (9-79 n.Chr.) moest na uitspatting van eerdere keizers flink bezuinigen. Zo hief hij onder anderen belasting op urinoirs. Zijn zoon Titus, die daarover klaagde, hield hij een muntstuk onder de neus met de vraag of die stonk. Toen Titus ontkennend antwoordde, zei Vespasianus dat de munt verdiend was met de belasting op de urinoirs. Geld stinkt niet, was zijn conclusie, hoe het ook was verdiend.)

Als de industriële revolutie een spin was, was het wereldwijd uitdijende spoorwegennet zijn web. Ongewild kregen de spoorwegen er direct een concurrent bij. Een concurrent, die met elke kilometer dat de trein voortraasde krachtiger werd. Hoe sneller de trein ging, des te prominenter was haar aanwezigheid. Het was de zon.

Die zon trok zich niets aan van het gekrioel op de aardkloot. Ze wilde in elk etmaal gewoonweg alle lengtegraden beschenen hebben, zoals ze dat altijd gedaan had. En in al die dagen die geweest waren was er een ‘noen’ geweest, een moment midden op de dag, dat de zon haar hoogste punt had bereikt. In de loop der tijd zou daar het label ‘12.00 uur’ aangehangen worden. Dat het nergens op de draaiende wereld tegelijkertijd twaalf uur was (behalve voor mensen op dezelfde lengtegraad), en dat natuurlijk ook gold voor elk ander willekeurig gekozen tijdstip, was binnen kleine en weinig mobiele gemeenschappen nauwelijks merkbaar geweest, laat staan een probleem.
Maar nu bewoog niet alleen het zonlicht met enkele honderden meters per seconde over het aardoppervlak, de mensen begonnen hun eigen snelheid enorm op te voeren. Dat leverde een heel praktisch probleem op, vooral in grote gebieden zoals Noord-Amerika: hoe laat vertrok de trein? De trein van Louisville naar Kansas City van 11.03 uur: hoe laat vertrok die trein, als je dat wilde weten vanuit je startplaats New York? 11.03 is grofweg een uur voor het middaguur, maar welk middaguur? Dat in New York, of dat van Louisville of Kansas City? Wanneer in New York de zon het hoogst stond, moesten ze daar in Louisville nog 44 minuten op wachten. Kansas City kwam daar weer 36 minuten achteraan. Mensen die door de trein met elkaar verbonden werden, waren door de tijd gescheiden.
De oplossing was even praktisch als het probleem: elke spoorweg hield zijn eigen tijd aan, vanaf het station van vertrek. Dat lijkt misschien heel sterk op onze 21ste eeuwse internationale vliegtuigreizen, waar met de vertrektijd altijd de tijd ter plaatste wordt aangeduid, maar er is één cruciaal verschil: wij werken nu met tijdzones, de vroeg-negentiende eeuwse treinreiziger had die niet tot zijn beschikking, simpelweg omdat ze niet bestonden. Er was geen handige wereldwijde kapstok met slechts 24 tijdzones. Nee, er waren in het beste geval 360 theoretische tijdzones op de aarde, evenveel als er lengtegraden waren. In het slechtste geval was de wereld zelfs bedolven onder 86.400 imaginaire tijdzones, één voor elke seconde in een etmaal, waarna de zon zich weer verplaatste naar zijn volgende hoogste punt op een plek even verderop. Het tijdstip 11.03 uur was een concept dat alleen begrijpelijk en hanteerbaar was voor mensen die zich in elkaars nabijheid bevonden, waarbij het er niet toe deed dat het zonlicht de tijd met zich meevoerde met de snelheid van honderden meters per seconde.
Noord-Amerikanen hanteerden een veelheid van tijden in hun grote continent. Halverwege de 19e eeuw werden er 144 tijden gehanteerd. Voor de Amerikaanse Spoorwegen groeide de problemen met de dag. Voor degenen die een enkele reis over een traject van één spoorwegmaatschappij moesten maken was het vertrek niet zozeer een probleem, maar wel de aankomst. Maar voor de echter reiziger, degene dus die met een directe verbinding geen genoegen nam maar de relatieve complexiteit van één of meerdere overstappen opzocht, moet de reisplanning een helse puzzels geweest zijn. De aankomst van zijn eerste trein op een station vond plaats op twee tijden: die van de reiziger en zijn trein, en die van het station van aankomst. Die tijden verschilden van elkaar, en het was niet eenvoudig om van tevoren vast te stellen hoeveel. (Hier moest ik aan denken toen ik eens in de Volkskrant een artikel las over ‘Luchthavenland’, een wereld op zich die op elke internationale luchthaven gevormd wordt door passagiers uit alle windstreken. Journalist Toine Heijmans schrijft: ‘In Luchthavenland is er weinig om je aan vast te houden. De dingen lopen er permanent door elkaar heen. Passagiers leven in verschillende tijdzones; sommigen dineren, anderen ontbijten. Het is er ochtend en avond tegelijk en omdat alles in een glimlach is verpakt is het lastig een echte glimlach te ontdekken.’)
De mensen waren niet krankzinnig geworden door de onmenselijk hoge snelheden van Stephenson’s stoomlocomotief The Rocket en zijn opvolgers, maar of ze net zo immuun waren voor het tijdendoolhof wilde men waarschijnlijk niet afwachten. In 1883 organiseerden de Amerikaanse Spoorwegen het Algemene Tijdcongres. Het vond plaats in St. Louis – een stad waarin 14 spoorlijnen 6 verschillende officiële tijden aanhielden. Het moet voor de deelnemers van de conferentie een hele opgave zijn geweest om tijdig te arriveren. De 144 officiële tijden die het continent gebruikte werden op de conferentie teruggebracht tot 5 tijdzones. Zondag 18 november 1883 ging de geschiedenisboeken in als ‘de dag met twee noenen’, toen heel het land overging op de vastgestelde standaardtijd. Bewoners van gebieden aan de oostelijke grens van de nieuwe tijdzones moesten hun klok een half uur terugzetten om synchroniteit met hun buren tot stand te brengen. Zij ervoeren die dag twee keer het midden van de dag. Maar zelfs het instellen van die nieuwe tijdzones maakte niet dat de communicatie vlekkeloos verliep. Plaatsen als Detroit konden niet kiezen bij welke tijdzonde ze hoorde, ingeklemd als ze lag tussen twee zones. ‘Bedoel je zonnetijd, treintijd of stadstijd?’ was een vraag die gehoord kon worden als reactie op een uitnodiging die voorzien was van een tijdsaanduiding.
Sinds 1883 is onze wereldbol verdeeld in 24 stukjes. Elk zo’n mandarijnenpartje leeft in zijn eigen tijd. En, bevalt dat?

Als je wilt weten in welk jaar je leeft, en je niet over een nacht ijs wilt gaan, duizelt je het al snel van de mogelijkheden. Juliaans, Gregoriaans, Common Era, Maya – er zijn nogal wat kalenders die wedstrijdjes met elkaar doen. Maar de lijst is veel langer, denk ook aan de Griekse, Chinese, Hindoeïstische, Iraanse en de Joodse kalender. En dan sla ik er nog heel veel over.

Een verfrissend alternatief voor al deze verwarring is even geboden tijdens de Franse revolutie, met de Republikeinse kalender. Daar zocht men immers naar Gelijkheid, Vrijheid en tenslotte Broederschap. Om te beginnen: ‘Gelijkheid’ is niet iets waarvan je de verschillende manieren van kalenderen kunt beschuldigen. Zelfs binnen één kalender is gelijkheid een utopie, getuige de incompatibiliteit van jaar en maand en week. En ‘Broederschap’ en ‘Vrijheid’ creëer je daar dus zeker niet mee. Dat was precies de overtuiging die de Republikeinen er tijdens de Franse Revolutie toe bracht om een nieuwe kalender te ontwerpen: een jaar van 12 maanden van elk 3 weken van elk 10 dagen, aan te vullen met 5 schrikkeldagen (6 voor elk schrikkeljaar). De laatste dag van de week was een feestdag. Ambtenaren zouden niet moeten proberen om op de ‘normale’ zondag ook nog eens lekker uit te rusten, want dat betekende ontslag. De start van de Republikeinse jaartelling was 22 september 1792. Zoals bij alle kalenders was dat een moment dat lag in de geschiedenis, want dit werd in 1793 besloten, gevolgd door verplichtstelling in 1798.
De kalender klonk vrolijk. De vijf schrikkeldagen aan het eind van het jaar waren feestdagen genaamd Deugd, Genie, Arbeid, Mening en Vergoeding. De namen van de maanden waren bedacht door een dichter. De dagen hadden namen als ‘Saffraan’, ‘Veldsla’, ‘Nieskruid’ en ‘Zijderups’. Desondanks was deze ‘Kalender van de Rede’ geen lang leven beschoren. Napoleon schafte hem af toen de kalender pas 14 jaar oud was, in 1806 dus. Je zou voor deze mislukking van een relatief helder idee allerlei redenen kunnen aanbrengen, maar waarschijnlijk zat het falen voor een groot deel in een simpele rekensom. Men had in de Kalender van de Rede nog maar één keer in de tien dagen een vrije dag, in plaats van één keer in de zeven dagen. Tja, daar kon geen Gelijkheid tegenop.

Naast manipulatieve kaarten bestaan er gelukkig ook ‘goede kaarten’. Ik kwam eens een kaart tegen, die zo mooi was, dat ik ‘m onmiddellijk aan de muur zou willen hangen. De wereld stond er twee keer op. Bijna ouderwets, zou ik zeggen, met bollingen die zo ongeveer de kaart uit kwamen zetten.
Moeder aarde presenteerde zich hier. Het papier waarop de kaart was afgedrukt had een lichtbruine gloed over zich, wat het een authentieke uitstraling gaf. Het leek wel een zeldzaam kunstwerk. De bovenste afbeelding had veel groene vlakken, de onderste rode strepen. Die kleuren pasten mooi bij het bruine papier. Er was nog een inzetje met een vrolijk kleurrijk Europa, en in elke hoek stonden verklarende teksten. Het zou in elke kamer in ons huis kunnen verrijken met zijn aanwezigheid.
Bij nadere bestudering moest ik concluderen dat de kaart weliswaar vrolijk oogde, maar desondanks een treurige boodschap bevatte. Hij kwam uit de Berghaus Physikalischer Atlas van 1886 en heette ‘Verbreitung von Krankheiten – Endemische Krankheiten des 19. Jahrhunderts’.
De kaart was misschien wel tekenend voor zijn tijd. De wereld was geografisch gezien al in kaart gebracht – hoewel er geenszins eenduidigheid was over de manier waarop dat het beste kon gebeuren, zo was me duidelijk geworden – en er was zich een nieuw soort kaart aan het ontwikkelen: de thematische kaart. Hierbij ging het niet in eerste instantie om het weergeven van plaatsen en gebieden op hun geografische positie, maar om gegevens over de bevolking van de gebieden, of verschijnselen waar de cartografie in een zoektocht voorzag. Die bijna essayistische kaarten vond ik zeer boeiend. Ze waren het resultaat van speurtochten, die vaak met onbekende afloop door gepassioneerde (amateur)cartografen waren aangevangen, en uiteindelijk in veel gevallen zeer constructieve bijdragen hadden opgeleverd.
Het boek How to Lie with Maps verdient een waardige opvolger. Wie schrijft How to Solve Problems with Maps?

gerrymanderingDat een verkiezingsoverwinning ook monsterlijk kan zijn, is in 1812 geillustreerd door gouverneur Elbridge Gerry. Vrijwel letterlijk: de truc waarop hij zijn overwinning behaalde staat sindsdien bekend als een Gerrymander, een monster met klauwen, vleugels en een drakenkop. Gerry’s partij won de verkiezing, ondanks dat die een minderheid van de stemmen had gekregen.

Gouverneur Elbridge Gerry zag in de aanloop naar de verkiezingen in de Amerikaanse staat Massachusetts zijn partij, de Democratic-Republican, steeds minder populair worden. Dat baarde hem zorgen. Maar in plaats van zich te richten op de kiezers, ging Gerry aan de slag met de kaart van Massachusetts. Die kaart bevatte de grenzen van de kiesdistricten. Die werden elk vertegenwoordigd door een senator. Door creatief met de districtsgrenzen te schuiven, klonterde hij de stemmen van de concurrerende Federalists zodanig samen, dat de verhoudingen van de stemmen tussen de senatoren níet meer overeen kwamen met die van de individuele kiezers. De herindeling van de kiesdistricten zag er met enige fantasie uit als een salamander. Monsterlijk in zijn gedaante én bedoeling, kreeg de nieuwe districtsindeling al snel de naam Gerrymander, een samenvoeging van Gerry en (sala)mander.
Gouverneur Gerry slaagde volledig in zijn opzet: ondanks dat zijn concurrent 51% van de stemmen had gekregen, verwierf Gerry 29 van de 40 zetels.

Misbruik van kaarten voor propaganda tijdens WOII door de slechterikken is algemeen bekend. Interessanter misschien wel is de rol die kaartenmakers aan de andere kant van de oceaan hebben gespeeld.

Amerika werd langzaam in de oorlog getrokken – het isolationistische karakter van de Verenigde Staten had hen niet gestimuleerd om snel participant te worden in de strijd, die duizenden kilometers van hen vandaan plaatsvond. Nou was dat natuurlijk in één klap veranderd met de aanval van Japan op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbour in 1941, maar daarmee was nog niet gezegd dat de Amerikaanse bevolking overtuigd was van inmenging in de strijd op Europees grondgebied. Passend in een Amerikaanse documentaireserie uit 1942 getiteld ‘Why we fight’, waarvan de naam geen verdere uitleg behoeft, was een cartografische uiteenzetting van de uiteindelijke gevolgen van de Duitse expansie voor de nog verafgelegen Amerikanen. Frank Capra, een Italiaans-Amerikaanse filmmaker, maakte deze serie van zeven films, waarvan de laatste was getiteld ‘War comes to America’. Het tweede deel, ‘The Nazi Strike’, was cartografisch gezien het meest interessant, want hierin werd visueel gemaakt dat achtereenvolgens de heerser over Oost-Europa de macht zou veroveren over de ‘Heartland’ (groot-Duitsland), en de heerser over de Heartland de macht zou veroveren over het hele Europese-Afrikaanse-Aziatische continent en tenslotte over de wereld. Het laatste shot uit de film toonde een wereld bedekt door hakenkruizen. Een effect van de cartografische inspanningen van de Amerikanen was dat de burgers van de Verenigde Staten niet alleen meer van de bestaande dreiging overtuigd raakten, maar ook meer van de wereld(verhoudingen) gingen begrijpen. (Dat laatste leek me een welkom bijverschijnsel, in een land waar ongeveer 80% van de tegenwoordige bevolking geen paspoort bezit.) In wezen keerden twee ‘uitvindingen’ van Hitler zich op deze wijze tegen hem: de termen Lebensraum en Geopolitiek. Beiden stonden voor de beoogde uitdijing van het Derde Rijk, uiteraard ten koste van andere landen en volken.
(Dat kaarten naast propagandamateriaal ook als militair instrument werden gebruikt was overduidelijk, maar de schaalgrootte waarop dat was gebeurd verbaasde me toch: Historicus Jeremy Harwood heeft het in zijn boek To the ends of the World – 100 maps that changed the World over een miljard (!) kaarten die alleen al door de geallieerden werden gemaakt en gebruikt gedurende de oorlog.)
De apotheose van de film Der Untergang uit 2004 speelt zich wat mij betreft overigens ook rond een kaart af. Het zijn de laatste dagen van Hitler en zijn staf in Berlijn, dat geteisterd wordt door de aanvallen van de Russen, die de stad bijna hebben ingenomen van de Duitsers. Hitler zit aan zijn stafleden uit te leggen welke legereenheden hij waar naartoe verplaatst wil hebben. Driftig wijst hij zijn commando’s aan op de kaart die voor hem ligt. Zijn officieren kijken elkaar ondertussen gespannen aan, want de eenheden waar Hitler het over heeft bestaan helemaal niet meer, of zijn in elk geval niet binnen handbereik. De officieren bieden bibberend tegenspraak. Hitler is furieus, kaffert zijn mensen uit over zoveel onwil. De stafleden, en de kijkers, weten wat Hitler niet wíl weten, namelijk dat de bewegingen van zijn troepen alleen op papier kunnen bestaan.

De moderne geschiedenis vertoont een verhaallijn van de invloed ván de verbeelding óp de verbeelding. Ik wist natuurlijk, net als elke andere oplettende tijdgenoot, dat de nazi’s in de tweede wereldoorlog een hele propaganda-industrie hadden, die zeer effectief was geweest in zijn uitwerking. Ik vond het interessant om hier nog eens nader naar te kijken en in te zoomen op de cartografische illusies die in die tijd werden voorgeschoteld.In de jaren dertig van de 20ste eeuw werd Duitsland door de nazi’s afgebeeld als kwetsbaar land. Polen en Tsjecho-Slowakije leken wel een hap te nemen uit de oostkant van Duitsland, het land met hun impliciete aanwezigheid alleen al bedreigend. Tenminste, dat moest de kaart doen geloven.
Explicieter was een simpel uitgevoerde grafische kaart, waarop te zien was hoe er een waaier van vijandige bommenwerpers geheel Duitsland bedekte, ingevlogen vanaf Tsjecho-Slowakije, en duidelijk niet met vreedzame bedoelingen.
Het zag er indrukwekkend uit. Alleen: de Tsjechische luchtmacht beschikte helemaal niet over dit soort vliegtuigen. Op een latere kaart die de zogenaamde Anschluss van Oostenrijk in 1938 moest rechtvaardigen was er geen enkel onderscheid te zien tussen Duitsland en Oostenrijk. Wel werden de (voormalig) Oostenrijkse steden nadrukkelijk vermeld. De kaart was gedrukt in een handzaam formaat, zodat deze gemakkelijk zijn weg zou kunnen vinden naar de handen en hoofden van de Duitse bevolking. Het uitgangspunt was; als je maar vaak genoeg ziet dat iets is, ga je ook geloven dat het is. Ná het uitbreken van de oorlog werd Duitsland ineens niet meer als zwak en potentieel slachtoffer van zijn buurlanden afgebeeld, maar was er, cartografisch gezien, een nieuw land opgestaan, machtiger dan al zijn buren bij elkaar.

De Franse natuurkundige Léon Foucault is één van de namen die de Fransen hebben geëerd met een plek op de Eiffeltoren – 72 grote mannen hebben de eer gekregen om dit icoon van Frankrijk in gouden letters op te mogen sieren en als zodanig vereeuwigd te worden. Maar Foucault’s ster is nog hoger gerezen: er is zelfs een maankrater naar hem genoemd. Toch opmerkelijk voor een student medicijnen die niet tegen bloed kon.

Foucault heeft zijn bekendheid en waardering dan ook niet te danken aan het pad dat hij als jongeling was ingeslagen, maar dat van zijn latere carrière als natuurkundige. Zo was hij de eerste die metingen deed van de snelheid van het licht, in 1850. Maar de naam van deze kleine Fransman leeft voort vanwege zijn visualisatie van de draaiing van de aarde om haar as, en de manier waarop hij dat deed. Copernicus had het gezegd in de 16e eeuw, Galilei had het astronomisch bewezen in de 17e eeuw, maar niemand had ooit met eigen ogen gezien dat de aarde rond haar eigen as draait. De wiskundige Marin Mersenne had het wel geprobeerd: hij schoot met een kanon een kogel verticaal de lucht in. Nadat tijdens de vlucht van de kanonskogel de aarde een klein stukje naar het oosten was doorgedraaid, zo was de redenering, zou de kogel vervolgens iets ten westen van het kanon moeten landen. Dat deed de eerste afgeschoten kogel inderdaad. Maar de tweede viel een eind oostwaarts neer. De derde werd na zijn afvaart helemaal nooit teruggezien.
Foucault kreeg het voor elkaar, met zijn beroemd geworden pendule. De idee achter zijn demonstratie is even simpel als de uitwerking ervan doeltreffend is. Stel, boven de Noordpool hangt een pendule heen en weer te zwaaien, 24 uur lang, vastgehouden aan een denkbeeldig punt in de lucht. Doordat de aarde gedurende dat etmaal onder die pendule door draait, beschrijft de pendule vanaf de aarde gezien niet alleen een heen en weer gaande beweging, maar uiteindelijk ook een complete ronding rond de aardas, precies één keer per etmaal. Nu lijkt dit een zuiver theoretische exercitie, maar Foucault voerde hem in 1851 uit, en met grote effectiviteit. Weliswaar niet zwevend boven de Noordpool, maar vanaf het plafond van het Panthéon in Parijs. Daar monteerde hij een koord van 67 meter lang met daaraan een bol van 28 kilogram zwaar. De montage was zodanig dat de slinger met een minimum aan wrijving kon bewegen en ook in zijn draaiing nauwelijks werd gehinderd. Boven de grond had Foucault een cirkel aangebracht met een schaalverdeling met daarop een laagje zand. De passerende pendule zou telkens wat zandkorrels wegduwen bij zijn doorgang, daarmee duidelijk makend welk pad hij al had afgelegd. Veel Parijzenaars waren op de demonstratie afgekomen. Nadat een assistent de pendule in gang had gezet, begon deze aan zijn slingerbeweging. Foucault schreef later in een artikel over de pendule: ‘Na een dubbele oscillatie die 15 seconden duurde, zagen we het ongeveer 2,5 millimeter links van zijn startpunt terugkeren. Met dit effect elke volgende oscillatie optredend, groeide de afwijking continu, proportioneel aan het verstrijken van de tijd.’ Het publiek was gefascineerd, evenals de Franse wetenschappers. Ze hadden de aarde zien draaien.
Foucault zou voor zijn werk een Copley Medal ontvangen van de Britse Royal Society – een Fransman die geëerd wordt door Engelsen, dat steeg zelfs nog boven de Eiffeltoren én een maankrater uit.

CholeraNadat ik kennis had gemaakt met de evolutiekaart van William Smith begon ik het vertrouwen in de goede bedoelingen van de meeste cartografen weer een beetje terug te krijgen. Een volgend voorbeeld dat hier aan bijdroeg was een 19e eeuwse kaart, die vrijwel geen enkele esthetische waarde had, maar puur in het teken had gestaan van wetenschappelijke vooruitgang. Het ging om de kaart van de Engelse arts John Snow in 1855. Onderwerp: cholera.

Snow was werkzaam in Londen, een stad die te lijden had onder een oncontroleerbare cholera-epidemie. Er was een probleem dat nog groter genoemd kon worden dan de ziekte zelf, namelijk de totale onwetendheid over de oorzaak en de wijze van verspreiding van de ziekte. De Italiaanse term voor slechte lucht, ‘mal aria’, toonde al aan dat de artsen in die tijd wel eens mis zaten met hun verklaringen; de term werd gegeven aan een ziekte die helemaal niet door de lucht werd overgebracht, maar door een mug. Ook in het geval van cholera dacht men dat men de oorzaak in rondvliegende luchtdeeltjes moest zoeken.
John Snow had er een ander idee over. Hij had weliswaar een hypothese, maar wilde die eerst staven, voordat hij er mee naar buiten trad. Dat deed hij door het maken van een kaart van de wijk Soho. Het was een arme wijk, waar mensen onder slechte omstandigheden moesten zien te overleven. Snow was doortastend. Hij ging alle huizen langs en stelde twee vragen: zijn hier gevallen van cholera, en van welke leverancier betrekt u het drinkwater? Er waren namelijk twee waterbedrijven, die soms in dezelfde straat hun klandizie hadden. De mensen haalden hun drinkwater bij de pomp in de straat, die in verbinding stond met ondergrondse opslagtanks. Toen Snow de antwoorden op zijn vragen in zijn kaart intekende – een zeer eenvoudig uitziende zwart-wit tekening, zonder enige vorm van opsmuk – werd het patroon snel zichtbaar. Veruit de meeste slachtoffers waren gevallen in Broad Street, waar één pomp aanwezig was, namelijk die van Southwork & Vauxhall. Ook in andere straten waren de choleragevallen gegroepeerd rond de pompen van dit waterbedrijf, terwijl de mensen die de pompen van de Lambeth Company gebruikten buiten schot waren gebleven. Het verschil zat hem hierin, dat de Lambeth Company zijn water stroomopwaarts uit de Thames haalde, terwijl Southwork & Vauxhall dat uit de vervuilde benedenloop deed, stroomafwaarts dus, vlak na de plek waar de riolen in de Thames uitkwamen. John SnowSnow had natuurlijk niet blindelings zomaar iets grafisch uitgezet. Het was geen schot in het duister geweest; hij had wel degelijk een idee gehad waar hij naar op zoek moest gaan. Toch werd de waarde van zijn hypothese pas evident door de eenvoudige maar doeltreffende kaart die hij had gemaakt. De pomp in Broad Street werd afgesloten, en de uitbraken van cholera stopten onmiddellijk. Snow stelde dat cholera en veel andere infectieziekten werden veroorzaakt door de verspreiding van heel kleine diertjes. Dat was wel eens eerder geopperd, maar nooit erg serieus genomen. Totdat hij met zijn kaart kwam. Het bestaan van deze ziektekiemen zou nog in dezelfde eeuw worden aangetoond.

Plaatjes vertellen vaak praatjes, zo schreef ik in eerdere blogs over propagandistische cartografie. Duitse propagandakaarten uit WOII, het Amerikaanse antwoord daarop in Why we fight, verkiezingsfraude met Gerrymandering, The New Pentagon’s Map (zie Tien Verdwenen Dagen): allemaal misleiding en manipulatie. Maar gelukkig brengen cartografen niet alleen maar ellende. Ik was enigszins opgelucht, dat moet ik bekennen, toen ik kennis nam van een aantal zeer constructieve vormen van cartografie: een kaart van de evolutie

Eén daarvan was een prachtige kaart uit 1815. Qua kleurgebruik sprong de kaart van William Smith zeer in het oog. Het was een kaart was van Groot-Brittannië, dat op een zodanige wijze was weergegeven, dat plaatsbepaling er bijna niet toe leek te doen. Het eiland was een palet van kleurlagen. Meer naar de kern van het eiland werd de boel roze; het deed me in de verte denken aan een medische constructie van een foetus, opgerold in de moederbuik. Ja, ik heb inmiddels wel geleerd mijn fantasie te gebruiken bij het kijken naar kaarten.
Die foetus, dat was nog niet eens zo heel raar gedacht. Eigenlijk was het best een passende metafoor, vond ik toen ik er wat over zat te mijmeren. Het ging hier namelijk om de eerste geologische kaart, handelend over de langzame geboorte van de aarde in haar huidige staat. Het zou later de persweeën van de evolutietheorie, geboren in 1859, flink op gang helpen.

De eerste geologische kaart, gemaakt in 1815 door William Smith, die door zijn tijdgenoten ook wel ‘Strata Smith’ genoemd werd, vanwege zijn obsessieve interesse in de ‘strata’ (= lagen), hun onderlinge verhoudingen en hun verborgen kennis over de ontwikkeling van het leven op aarde.

Smith was een landmeter die een ontdekking deed die hij eerst een tijdje voor zich hield, voordat hij deze aan de wereld durfde te tonen, zo revolutionair wist hij dat zijn uitwerking zou zijn. Door zijn betrokkenheid bij de mijnbouw en het graven van kanalen was het Smith opgevallen dat de fossielen die hij tegenkwam niet willekeurig in de grond verspreid zaten, maar volgens patronen voorkwamen. Deze patronen werden steeds herkenbaarder, totdat Smith zelfs wist te voorspellen welke laag op welke locatie aan de oppervlakte zou komen. Dat was niet alleen profijtelijk voor landeigenaren die naar het winstgevende kolen op zoek waren, maar Smith zijn bevindingen – en conclusies – zouden niet bij iedereen in goede aarde vallen. De meeste mensen aan het begin van de 19e eeuw hingen het geloof in de letterlijke betekenis van de bijbel aan. En aangezien de Ierse geestelijke James Ussher rond 1650 met behulp van de bijbel nauwkeurig had berekend dat de aarde 4004 jaar voor de jaartelling was geschapen, was het gemeengoed om de leeftijd van de aarde op nog geen 6.000 jaar te houden. Ussher deed dit door vanaf het eerste Bijbelboek Genesis de leeftijden van de daarin genoemde mensen en generaties bij elkaar op te tellen. Dat is minder makkelijk dan het lijkt, want zo’n optelsom is het prettigst gemaakt bij een transparante chronologie, iets waarin de bijbel nou net niet voorziet.
Hoe dan ook, de conclusies van Smith wezen op een aarde die veel ouder moest zijn dan de zes millennia van Ussher. Ook kwamen er door de graafwerkzaamheden van Smith fossielen aan de oppervlakte van dieren die niet meer bestonden. Dat leek erop te wijzen dat God ofwel zelf deze diersoorten had laten uitsterven, ofwel dat ze ondánks Hem hun einde als soort hadden gevonden. Beide gedachten waren onacceptabel voor de machthebbers van die tijd.
Maar niet voor Wallace en Darwin, die er gedurende de volgende halve eeuw de voedingsbodem voor hun evolutietheorie in zouden vinden.

Leesvoer:
De kaart die de wereld veranderde – Simon Winchester
Tien verdwenen dagen – Michiel van Straten

Nieuwsbrief
Blijf op de hoogte van nieuws, verhalen en andere ontdekkingsschrijverij. Je kunt je hier aanmelden voor mijn maandelijkse nieuwsbrief.