Van zout morsen krijg je ruzie – en een kredietcrisis

Mijn vroegere docent Nederlands kon met smaak vertellen dat hij geloofde dat je van zout morsen ruzie krijgt. Zijn vrouw vond dat bijgeloof, zei hij er ook bij. ‘Toch is het zo’, verklaarde hij, en legde uit hoe hij zout had gemorst en met zijn vrouw ruzie had gekregen over dat bijgeloof. Had hij toch gelijk gekregen.

Zout, bijgeloof, ruzie. Ik kwam er laatst achter dat dat ingrediënten moeten zijn geweest van de kredietcrisis. Samen met enkele collega’s probeerde ik een tijdje geleden de mysteries van een kredietcrisis te ontrafelen. Wij zijn geen economen, werken niet bij een bank, en weten verder net zoveel of weinig van geld af als ieder ander. De vraag die ons bezighield was: waar is al dat crisisgeld gebleven? We lijken door die crisis macro-economisch iets kwijt te zijn; hoe zit dat? Als veel mensen geld hebben verloren, moeten andere toch gewonnen hebben? We probeerden op microniveau – de lunchtafel – het één en ander uit.

‘Birgit’, zei ik, ‘ik heb hier een zoutvaatje. Dat zoutvaatje is heel bijzonder, want het is wel twintigduizend euro waard, als jij het doorverkoopt.’ Samir, die naast haar zat, keek al begerig richting genoemde vaatje, dat er ineens niet meer zo gewoontjes uitzag als daarvóór. ‘Samir wil dat er wel voor betalen, verwacht ik, want het wordt waarschijnlijk zelfs nog meer waard,’ rondde ik mijn naadloze pleidooi af om het haar voor tienduizend euro te verkopen. De koop was snel gesloten, want Birgit is ook niet gek, dus die tienduizend euro winst zag zij tussen de zoutkorrels in al blinken.

Ondertussen waren er andere collega’s interesse aan het ontwikkelen in deze verkoophandelingen, en omdat ik geld nodig zou hebben om meer profijtelijke zoutvaatjes in te gaan kopen, begonnen zij mij te helpen: ik beloofde hen van elke tienduizend euro winst duizend euro te geven, in ruil voor startkapitaal. Aldus geschiedde, waarna Samir ons moedwillig in de crisis stortte: de waarde van het zoutvaatje was toch iets overschat geweest, hij kon zijn twintigduizend euro aan Birgit niet betalen (waar had hij die vandaan moeten halen?), Birgit kon haar schulden aan mij niet voldoen, en ik kon mijn aandeelhouders niets geven. Het geld waar we mee hadden gestrooid had alleen in onze verbeelding bestaan. Het zoutvaatje voedde slechts onze lunch en onze verbeelding, maar niet onze portemonnee.

Zo ongeveer moet het gegaan zijn, met die kredietcrisis, dachten we hardop. Met geknoeid zout, misplaatst geloof, en uiteindelijk ruzie. De economen en de psychologen moeten maar eens gaan touwtrekken tot wiens expertise zo’n kredietcrisis nu eigenlijk behoort.