Kalender

Een Belgische politicus zei eens: ‘Ik geloof niet in bijgeloof, want dat brengt ongeluk.’ Wat zou hij vinden van de vermeende ongeluksdag vrijdag de 13e? Waar komt dat bijgeloof trouwens vandaan? En zit er nog enige waarheid in genoemd citaat?
In de Verenigde Staten, een land dat in alles groot wil zijn, speelt vrijdag de 13e een veel bepalender rol dan in ons nuchtere landje. Er zijn daar zelfs mensen die op deze dag niet naar hun werk gaan, om zo de kans op onheil te reduceren. Maar niet alleen in de VS, ook in andere landen blijkt men zoveel moeite te hebben met alleen al het getal 13, dat dat daarom veelal gemeden wordt. Bij meerdere vliegmaatschappijen springt de nummering van de rijen van rij 12 naar rij 14; op sommige vliegvelden gebeurt hetzelfde met de aanduiding van de gates, en in veel Amerikaanse gebouwen zult u tevergeefs naar een 13e verdieping zoeken.
Er is een aantal mogelijke verklaring voor de negatieve verwachting bij vrijdag de 13e. Eén ervan heeft te maken met de kruisiging van Jezus, die op een vrijdag plaatsvond. Het getal 12 wordt in de bijbel (en in de numerologie) als volmaakt gezien – een perfectie die door de dertiende aangezetene aan het laatste avondmaal, Judas, op meerdere manieren werd verstoord. Een andere mogelijke verklaring met een religieuze achtergrond heeft te maken met de ondergang van de Tempeliers, een militair ingestelde monnikenorde, op vrijdag 13 oktober van het jaar 1307. Ook is een oorsprong te vinden in de Noorse sage over de God Loki. Deze kwaadaardige God kwam als dertiende en ongenodigde op een wereldfeest, en bracht allerlei onheil over de wereld.
Indachtig de uitspraak van de 19 eeuwse Engelse historicus Henry Thomas Buckle – ‘De enige remedie tegen bijgeloof is wetenschap’ – vroeg ik eens aan het LUMC wat de afgelopen exemplaren van vrijdag de 13e op de spoedeisende hulp heeft opgeleverd. ‘Er is in de cijfers niets terug te vinden van afwijkingen van andere vrijdagen’, aldus Sonja Groen, communicatiemedewerkster. ‘Deze twee vrijdagen gaven een normale drukte.’ Houdt het LUMC op enige manier rekening met het getal 13? ‘Nee hoor’, antwoordt Groen, ‘we nummeren bijvoorbeeld de operatiekamers gewoon door, tot in de twintig.’
Het Centrum voor Verzekeringsstatistiek bekeek naar het aantal verkeersongelukken en brandmeldingen in een jaar, en onderzocht de verhouding tussen die op vrijdag de 13e enerzijds en andere vrijdagen anderzijds. Waar verzekeraars op de meeste vrijdagen ongeveer 7.800 schademeldingen binnen kregen, bleef de teller op een vrijdag de 13de stil staan op gemiddeld 7.500 gevallen. Ook het aantal brandmeldingen op vrijdag de 13de lag net iets lager dan doorgaans op vrijdag. Misschien komt dat, doordat mensen op deze dag iets voorzichtiger doen dan op andere dagen. Dat lijkt erop te wijzen dat er meer waarheid zit in de woorden van de geciteerde Belgische politicus, dan in het bijgeloof zelf.

(Dit stuk is eerder gepubliceerd geweest in het Leidsch Dagblad in de rubriek ‘De Kwestie’.)

Dondergod Thor gaf zijn naam aan een dag van de weekDe namen van onze dagen van de week hebben hun oorsprong in de zeven met het blote oog zichtbare hemellichamen. In de oude Mesopotamische astrologie regeerden de planeetgoden elk over een uur van de dag. Misschien als troost, mocht de planeet die het verst van de aarde verwijderd was de week beginnen: Saturnus. ‘Saturnusdag’ werd daarmee de eerste dag van de week. Nadat ook achtereenvolgens Jupiter, Mars, de zon, Venus, Mercurius en de maan hun plek hadden gekregen over de volgende zes uren van het etmaal, begon de cyclus opnieuw. Doortellend resulteerde dat in de toebedeling van het eerste uur van het volgende etmaal aan de zon. Dus: de tweede dag van de week werd de zondag. Op deze wijze continuerend kreeg de maan de derde dag, Mars de vierde dag, Mercurius de vijfde, Jupiter de zesde en Venus de zevende.

Later versterkten de Germanen in Noordwest-Europa hun onafhankelijkheid van de Romeinen door namen van hun eigen goden toe te wijzen aan vier van de zeven weekdagen. De Romeinse oorlogsgod Mars werd vervangen door de Noorse Týr of Ding: de bron voor onze dinsdag. De wijze Noorse oppergod Odin/Wodan verdrong Mercurius, en Mercurdag werd woensdag. De zoon van Wodan, dondergod Thor, kon blijkbaar harder donderen dan de Romeinse onweersgod Jupiter, joeg hem weg en donderdag was geboren. Frigg kreeg de vrijdag. Saturnusdag, zondag en maandag bleven wat ze waren.

Nadat de Romeinse keizer Constantijn de zevendaagse week had ingevoerd, waren er twee momenten waarop die week kon beginnen. In de joodse traditie begon de week op zondag en viel de rustdag op de sabbath aan het eind van de week. De Romeinse cq Germaanse week begon echter op zaterdag. Maar omdat de naamgever van deze dag als zeer ongelukkig werd gezien (‘Wanneer het Saturnus’dag is wordt alles donker en moeilijk; zij die geboren worden zijn in gevaar; hij die verdwijnt zal niet gevonden worden; hij die zijn ziekbed moet houden is in gevaar; gestolen goederen zullen niet gevonden worden’), was het bij nader inzien misschien toch niet zo’n goed idee om die dag als eerste van de week te blijven zien. Zondag kreeg zodoende door keizer Constantijn nummer 1 opgespeld.

(Deze tekst is een fragment uit het boek Tien verdwenen dagen – over de menselijke maar achter ons wereldbeeld.)

Bloembol‘Dat stereotype beeld van Holland met zijn molens, tulpen en klompen is maar onzin hoor,’ zei ik eens tegen een Canadese vriend die ons landje met zijn bezoek kwam vereren. De treinrit naar Amsterdam langs de velden met bloembollen bewees ondubbelzinnig mijn ongelijk: de bollenvelden kleurden fel in de voorjaarszon, molens zwaaiden ons toe. Dat van die klompen kon ik nog weerleggen. Totdat we op het Centraal Station van Amsterdam tegen een hoempapa-bandje opliepen, waarvan de leden allemaal wooden shoes droegen. Het clichébeeld van Holland zal nooit meer van zijn netvlies verdwijnen.

De tulpen, narcissen, hyacinten en krokussen waren lang onzichtbaar geweest, maar nu toonden ze zich plotseling aan iedereen die het zien wilde. Hoe wisten ze dat het lente was? Die vraag weet Huub Linthorst, Universitair Hoofddocent van het Instituut Biologie Leiden, te beantwoorden: ‘Voor sommige plantensoorten, zoals sla en selderij, is de hoeveelheid licht bepalend om de zaadontkieming op gang te brengen. Andere zaden ontkiemen pas nadat ze een periode van kou hebben gehad. Dat laatste geldt ook voor planten die als bollen en knollen in de grond overwinteren om in het voorjaar weer uit te lopen. Denk aan krokussen en narcissen, maar ook aan uien en aardappels. Aan het eind van het groeiseizoen wordt er in de bol een toenemende hoeveelheid van het plantenhormoon abscisinezuur (ABA) aangemaakt. Naarmate het niveau aan ABA stijgt, verlopen andere processen in de plant steeds langzamer, totdat de groei stil valt en de plant in winterslaap gaat. Door de lage temperatuur in de wintermaanden worden de enzymen die ABA synthetiseren geïnactiveerd, waardoor de aanmaak van ABA stopt. Doordat het hormoon tijdens de winterslaap ook nog eens spontaan afbreekt, neemt het ABA niveau langzaam af. Als het niveau voldoende laag is, komt de bol weer tot “leven” en gaat uitlopen. Het is niet toevallig als de winter dan voorbij is.’

Overigens komt het bekendste bolgewas, de tulp, oorspronkelijk uit Turkije. De naam komt van ‘tulipan’, wat tulband betekent; Ottomaanse sultans droegen een tulp op hun tulband als symbool. De Nederlandse tulpenroem is via Leiden gegaan, waar botanicus Carolus Clusius in 1593 de eerste Turkse bollen cadeau kreeg en vervolgens plantte in de Hortus Botanicus. In de daarop volgende decennia werd de tulp in Nederland zo populair, dat ze midden in de Gouden Eeuw een ware economische crisis veroorzaakte. Tulpen werden verhandeld, vaak nog voor ze geplant waren, voor steeds hogere bedragen. Speculanten maakten enorme winsten. Het meest extreme bedrag dat betaald werd voor één tulpenbol was net zo hoog als de prijs van een Amsterdams grachtenpand. Dat kon niet lang goed gaan, en na zeven vette jaren stortte de tulpenhandel als een kaartenhuis in. Meer hierover is te lezen in mijn boek Tien verdwenen dagen.

kalenderOnze kalender vindt zijn oorsprong bij Romulus, de mythische stichter van de stad Rome en het rijk waar wij uiteindelijk onze huidige datum vandaan hebben. Het jaar van Romulus begon bij een begin, namelijk dat van nieuw leven. In de lente dus. De eerste van de tien maanden werd naar Romulus’ vader genoemd, de god Mars. ‘Marlius’ was in de Romeinse kalender daarom de eerste maand van het jaar. De start van de lente, het moment dat de zon recht boven de evenaar staat en evenveel van zijn licht en warmte over het noordelijk als over het zuidelijk halfrond laat schijnen, viel volgens de Romeinen op de vijfentwintigste dag van die eerste maand.

De naamgeving van de volgende maand werd ‘De Tweede’. Weinig creatief misschien, maar in de Latijnse vertaling ‘Aprilius’ klinkt het al een stuk poëtischer. Doordat de daaropvolgende maand gekenmerkt werd door groei van de gewassen en van de pasgeboren dieren, vond men een toepasselijke naam in die van ‘Maius’, de godin van de groei. Junius vervolgens was genoemd naar de godin Junon, heerseres van de hemelen.

Daarmee leken de naamgevers al hun creatieve kruit verschoten te hebben, want de resterende zes maanden van het jaar werden simpelweg genummerd. De maand na Junius was de vijfde maand, oftewel Quintilis. Sixtilis (= 6) volgde daar weer op. Deze eerste zes maanden verklaren waarop de volgende vier maanden van het jaar heten zoals ze heten: September (= 7), Oktober (= 8), November (= 9) en December (= 10).

Even getallen brachten volgens de mensen in het oude Rome ongeluk. Daarom hield men daar rekening mee bij de toebedeling van het aantal dagen aan elke maand. Maart (ik zal de maanden in het vervolg in hun vernederlandste vorm benoemen, voor zover dat van toepassing is) kreeg er 31, April 29, Mei 31, Juni 29, Quintilis 31, Sixtilis 29, September 29, Oktober 31, November 29 en December 31. Dat was wel een probleem, in een maatschappij waar het leven vooral het ritme van de seizoenen volgde. Maart zou telkens na driehonderd dagen weer beginnen, en dus grofweg twee maanden eerder dan in onze kalender. Een jaar van driehonderd dagen dat begint in de lente, begint het jaar daarop in één van de koudste periodes (op het noordelijk halfrond), namelijk in een periode die wij januari noemen. Nog een jaar later valt maart zelfs vóór de aanvang van de meteorologische winter, namelijk op een moment dat wij onze sinterklaasinkopen aan het doen zijn.

Voor een volk van landbouwers en veehouders was het toch praktischer om een houvast te hebben aan de indeling van het jaar voor de verzorging van de gewassen en het vee, het zaaien en het oogsten. Daarom werden de toenemende afwijkingen tussen de maanden en de seizoenen gecorrigeerd door zogenaamde Interkalarius. Dat waren dagen die af en toe aan de kalender werden toegevoegd. De tweede koning van Rome, Numa Pompilius, pakte dit structureel aan. Hij vulde de jaarlijkse leemte op met twee nieuwe maanden. Ongeveer vanaf 700 v. Chr. had het jaar daardoor twaalf maanden; minder logisch gezien het tientallig stelsel van de Romeinen, maar het bracht wel de maanden en het jaar weer in synchroniteit met de seizoenen. De god Janus, met twee gezichten, één aan elke kant van zijn hoofd, kreeg een van de twee nieuwe maanden naar zich genoemd: Januarus. Deze maand kreeg 29 dagen. De laatste maand van het jaar was voorbehouden aan reiniging en boetedoening. Het was dan ook de god van de purificatie, Februus, die zijn naam hieraan verleende. Het verklaart ook dat februari onze schrikkelmaand is: de Romeinen verrekenden hun Interkalarius aan het eind van hun jaar.

Onze maanden en hun namen op hun rijtje:

Januari – De Romeinse god Janus is de naamgever van onze eerste maand van het jaar.

Februari – De laatste maand van de oude Romeinse kalender (die begon in de lente met maart) was er één om de rotzooi van het voorafgaande jaar op te ruimen. Typisch een maand om af en toe eens een schrikkeldag aan toe te voegen dus, om scheefgelopen verhouding tussen jaren, maanden en dagen mee op te lossen. De god Februus was van de purificatie, dus die nam die taak graag op zich.

Maart – De oude Romeinse kalender begon in de lente. Logisch eigenlijk, beginnen bij het begin. De eerste maand werd genoemd naar de vader van de mythische stichter van Rome (Romulus), de god Mars. Marlius was in de Romeinse kalender daarom de eerste maand van het jaar.

April – Aprilius betekende ‘tweede’ in het oude Rome.

Mei – Maius was de Romeinse godin van de groei. Haar naam paste mooi bij de maand die gekenmerkt werd door groei van de gewassen en van de pasgeboren dieren

Juni – Junius was de Romeinse godin die heerste over de hemelen.

Juli – Julius Caesar kreeg na zijn dood de vijfde maand van de Romeinse kalender naar zich vernoemd. Die had eerder nog geen eigen naam, maar heette simpelweg quintus, vijfde.

Augustus – Keizer Augustus wilde zijn naam terugzien in een maand, net zoals zijn voorganger Julius Caesar. Omdat juli al door laatstgenoemde bezet was, kreeg Augustus de maand daarna. Die had eerder nog geen eigen naam, maar heette simpelweg sextus, zesde.

September – Septum is Latijn voor zeven. De zevende maand in de oorspronkelijke Romeinse kalender werd september genoemd.

Oktober – Octo is Latijn voor acht. De achtste maand in de oorspronkelijk Romeinse kalender werd october genoemd.

November – Nove is Latijn voor negen. De negende maand in de oorspronkelijke Romeinse kalender werd november genoemd.

December – Deca is Latijn voor tien. De tiende maand in de oorspronkelijke Romeinse kalender werd december genoemd.

Cliff ArnallEen uitgerekend vrolijke manier om tegen het fenomeen ‘datum’ aan te kijken komt van de Britse psycholoog Cliff Arnall. Hij bedacht een manier om uit te rekenen wat de vrolijkste dag van het jaar is. Zijn methode bevat elementen als buiten zijn (O), natuur (N), sociale interactie (S), positieve herinneringen aan jeugdige zomers (Cpm), temperatuur (T) en het vooruitzicht op vakantie (He). Arnall heeft deze elementen zelfs in een heuse formule gegoten (O + (N x S) + Cpm/T + He), maar ook zonder deze formule is duidelijk dat de gelukkigste dag van het jaar op deze manier volgens Arnall op of rond 21 juni moet vallen. Dat deze uitkomst (en de gehele formule) nadrukkelijk door het bedrijf Wall’s Ice Cream is gepresenteerd in een opbeurend zomers persbericht zegt waarschijnlijk evenveel over de vrolijkheid van de uitgerekende dag als over de stemming van Cliff Arnall zelf, bij het verzinnen van deze formule.

Arnaal moet hij gedacht hebben, bij elke yin hoort een yang, want ook voor het bepalen van de meest deprimerende dag van het jaar bedacht hij een formule. Een formule die er even indrukwekkend als ondoorgrondelijk uitziet, met elementen als het weer, financiële situatie, het aantal dagen sinds Kerstmis, de tijd die verstreken is sinds het niet nakomen van goede voornemens, het persoonlijke motivatieniveau en de mate waarin iemand voelt actie te moeten ondernemen:

[W + (D – d)] x TQ
———————-
M x NA
(W = het weer; D = schulden; d = salaris; T = de tijd die verstreken is sinds Kerstmis; Q = de tijd die verstreken is sinds uw laatste stoppoging; M = motivatie; NA is de noodzaak om actie te ondernemen.)
Ergens tussen 18 en 24 januari bent u volgens Arnall het minst vrolijk. Het is maar dat u het weet.

(Dit is een fragment uit mijn boek Tien verdwenen dagen – over de menselijke maat achter ons wereldbeeld.)

Twaalftallig stelselWij zijn zo gewend aan het gebruik van het tientallig stelsel dat we ons nauwelijks kunnen voorstellen dat je ook prima met andere getalstelsels uit de voeten kan. Sterker nog, het twaalftallig stelsel is daar niet alleen een historisch voorbeeld van, maar gebruiken we nog steeds. Zoals in het (halve) dozijn waarin de meeste eieren worden aangeboden in de supermarkt. Waarom is dat? Waarom geen tien?

Het tellen op de vier vingers van één hand met de duim van dezelfde hand heeft waarschijnlijk ten grondslag gelegen aan het gebruik van het grondgetal 12 en het twaalftallig stelsel. Dat  grondgetal zien we terug in de nog steeds gebruikte begrippen als dozijn en gros. Een reconstructie van het ontstaan van het twaalftallig stelsel voert terug op het aanwijzen van de vingerkootjes met de duim. Aangezien elke vinger er daar drie van heeft, en de duim als aanwijsstok zelf niet meegeteld wordt, tel je zo 4 x 3 = 12 af op de vingers van één hand. Dat staat niet op zichzelf. De Soemeriërs, een volk dat van circa 4000 tot 2000 v. Chr. leefde in Mesopotamië (nu Zuidoost Irak), verdeelden de dag in twaalf stukken. Waarschijnlijk was dat afgeleid van de twaalf sterrenbeelden die zij in de loop van het jaar aan de nachtelijke hemel zagen verschijnen. Een cirkel werd door hun meetkundigen opgedeeld in twaalf delen van elk 30°. En een sterke aanwijzing voor het bestaansrecht van het twaalftallig stelsel zit in de toepassingen voor de handel. Een hoeveelheid van 12 is deelbaar door 2, 3, 4 en 6. Dat biedt dus twee keer zoveel mogelijkheden als de 10, die slechts deelbaar is door 2 en 5. Handig, als je bijvoorbeeld potten en pannen wil verkopen en daar specifieke hoeveelheden broden voor terug wil: je hebt meer mogelijkheden.

Het meest triviale voorbeeld van het gebruik van het twaalftallig stelsel is zo ingebed in ons leven, dat we het misschien volkomen over het hoofd zien als afwijkend van het meestal door ons gebruikte tientallig stelsel. Zie je hem al? Simpel: onze tijdwaarneming, met twaalf uren in een dag.

Meer over (ook andere) getalstelsels en het ontstaan en gebruik daarvan kun je lezen in mijn boek Tien verdwenen dagen – over de menselijke maat achter ons wereldbeeld.

JanusHoewel 2013 nog maar net begonnen is, publiceert Ontdekkingsschrijver nu al een Lexicon (en kalender) van het jaar. Vraag niet hoe het kan. Geniet er van. Steek je tafelgenoten in 2013 de ogen uit met de kennis die je hier opdoet. Elke maand weer. Wat zij niet weten (maar jij nu wel) is waar al die termen die het jaar op onze Gregoriaanse kalender opdelen vandaan komen.

Maand – Een maancyclus, van nieuwe maan tot nieuwe maan, duurt gemiddeld ongeveer 29,5 dag. Hoewel kalendermaanden uit de Gregoriaanse kalender nu niets meer met de maancyclus te maken hebben, was de maan oorspronkelijk wel leidend voor het bij benadering vaststellen van de lengte van een maand.

Januari – De Romeinse god Janus is de naamgever van onze eerste maand van het jaar.

Februari – De laatste maand van de oude Romeinse kalender (die begon in de lente met maart) was er één om de rotzooi van het voorafgaande jaar op te ruimen. Typisch een maand om af en toe eens een schrikkeldag aan toe te voegen dus, om scheefgelopen verhouding tussen jaren, maanden en dagen mee op te lossen. De god Februus was van de purificatie, dus die nam die taak graag op zich.

Maart – De oude Romeinse kalender begon in de lente. Logisch eigenlijk, beginnen bij het begin. De eerste maand werd genoemd naar de vader van de mythische stichter van Rome (Romulus), de god Mars. Marlius was in de Romeinse kalender daarom de eerste maand van het jaar.

April – Aprilius betekende ‘tweede’ in het oude Rome.

Mei – Maius was de Romeinse godin van de groei. Haar naam paste mooi bij de maand die gekenmerkt werd door groei van de gewassen en van de pasgeboren dieren

Juni – Junius was de Romeinse godin die heerste over de hemelen.

Juli – Julius Caesar kreeg na zijn dood de vijfde maand van de Romeinse kalender naar zich vernoemd. Die had eerder nog geen eigen naam, maar heette simpelweg quintus, vijfde.

Augustus – Keizer Augustus wilde zijn naam terugzien in een maand, net zoals zijn voorganger Julius Caesar. Omdat juli al door laatstgenoemde bezet was, kreeg Augustus de maand daarna. Die had eerder nog geen eigen naam, maar heette simpelweg sextus, zesde.

September – Septum is Latijn voor zeven. De zevende maand in de oorspronkelijke Romeinse kalender werd september genoemd.

Oktober – Octo is Latijn voor acht. De achtste maand in de oorspronkelijk Romeinse kalender werd october genoemd.

November – Nove is Latijn voor negen. De negende maand in de oorspronkelijke Romeinse kalender werd november genoemd.

December – Deca is Latijn voor tien. De tiende maand in de oorspronkelijke Romeinse kalender werd december genoemd.

Wil je ook in 2013 ontdekkingsschrijvernieuws blijven ontvangen? Meld je dan aan voor ontvangst van de nieuwsbrief. Of volg @MichielvStraten op Twitter.

Laten we er voor het gemak even van uit gaan dat de persoon Jezus Christus bestaan heeft. Moslims kennen hem als profeet, Christenen als de zoon van god. Maar ook als je niet religieus bent zou je kunnen aannemen dat de mens Jezus er was, zo’n twee millennia geleden. Een preciezere tijdsaanduiding, daar is het me om te doen in dit blog. Om je donkere dagen voor kerst iets mee te verlichten.

De Iraanse monnik en rekenaar Dionysius Exiguus, die zich rond het nog niet bestaande jaartal 500 n.Chr. in Rome vestigde, leek behept te zijn geweest met een behoorlijke portie tactisch vernuft. Hij was het, die bedacht dat een jaarrekening vanaf de geboorte van Jezus Christus de man postuum goed zou doen – en de kerk zou helpen haar macht te consolideren. En zo geschiedde: Dionysius berekende dat Jezus in het Romeinse jaar 753 ter wereld was gekomen. De opstanding van de kruisdood was natuurlijk de grootste prestatie van Jezus geweest, en het paasfeest vormde dan ook het middelpunt van Dionysius’ berekeningen. De 25ste maart was al sinds de oude Romeinen een moment dat het begin van nieuw leven vertegenwoordigde – een nieuwe lente (op het noordelijk halfrond), een nieuw jaar, nieuw leven in flora en fauna, en in de vorm van de wederopstanding de dood van een man en de geboorte van een god. De geboorte van het kerstkind, op 25 december, is zo ook aan zijn datum gekomen. De 25ste maart viel op Goede Vrijdag toen Jezus 33 jaar oud was geweest – zijn sterfdag als mens, volgens Dionysius, en daarmee de conceptie van een nieuw en goddelijk leven. Niet alleen zitten er tussen 25 maart en 25 december precies negen maanden – ik geef toe, je moet wel enigszins flexibel van geest zijn om uit dergelijke rekensommen een geboortedatum af te leiden – maar 25 december was ook een belangrijke datum voor de heidenen uit die tijd. Op die dag vierden zij de winterzonnewende – het moment vanaf welke de dagen weer gingen lengen, de koudste, donkerste en moeilijkste tijd zich aan het omvormen was tot een vruchtbaardere, warmere en rijkere periode van het jaar. In feite werd de onoverwinnelijkheid van zon aanbeden. We schuiven gewoon aan bij dat feestje; zoiets moet Dionysius gedacht hebben, toen hij besloot dat 25 december de geboortedag van Christus zou zijn. ‘If you can’t beat them, join them.’
Het bewijs van het succes van zijn tactiek is nog elk jaar merkbaar, als veel Christenen én veel niet-gelovigen elk op hun eigen manier kerstmis vieren op 25 december, de dag waarop Jezus niet geboren is.

2012 is een magisch getal geworden. En, zoals we dat het liefst zien bij mysterieuze symbolen, komt dat fenomeen voort uit een uitgestorven beschaving, en is het getal zelf slechts met grote moeite door de nauwe flessenhalsopening van de geschiedenis gekropen. Die flessenhals stond voor het 16e eeuwse dieptepunt in de Meso-Amerikaanse indiaanse culturen. Zoals we uit de logboeknotities van Christoffel Columbus hebben kunnen zien, waren de Spanjaarden met hun ontdekkingen nou niet bepaald op wereldvrede uit geweest.

Die constatering geldt ook voor de Spaanse veroveringen door de zo poëtisch klinkende conquistadores; een woord geschreven met bloed in plaats van inkt. Deze veroveraars maakten snel na de ontdekking van de Nieuwe Wereld korte metten met de indianen en hun cultuur. Hernán Cortés veroverde Mexico (1519-1521), wat Fransisco Pizarro een paar jaar later inspireerde om de Inca’s in Peru te bestrijden (1522-1524); Diego Velázquez had Cuba toen al ingenomen (1511); Francisco Hernández de Córdoba krijgt de dubieuze eer om niet alleen de Maya indianen ontdekt maar ook grotendeels uitgeroeid te hebben (1517). Het zijn die laatste twee gebeurtenissen die indirect verantwoordelijk zijn voor de magie die het jaartal 2012 oproept, vijf eeuwen later.

De Maya cultuur, die zijn oorsprong waarschijnlijk al vierduizend jaar geleden beleefde, wordt tegenwoordig gezien als hoogstaand. Ze was rijk aan architectuur en beeldende kunst; wiskunde en astronomie waren ver ontwikkeld. Dat leek de Spanjaarden geen goede voedingsbodem voor een overheersing van hun kant. De conquistadores waren de mening toegedaan dat een cultuur die je uitroeit moeilijker in opstand kan komen dan één die in volle bloei is. Technocratisch gezien hadden ze daarin waarschijnlijk gelijk, menselijk en cultureel gezien betekende hun uitgangspunt een ware ramp. Het was er de oorzaak van dat van alle documenten uit de bibliotheken van de Maya er nog maar vier bestaan op de hele wereld. De rest werd door de Spanjaarden vernietigd. Eén van deze geschriften is de codex van Dresden; zo genoemd naar de huidige woonplaats van dit oudste bekende geschreven boek uit Amerika. Aangenomen wordt dat dit beschreven en beschilderde boek een 11e of 12e eeuwse kopie is van een origineel geschrift uit de klassieke tijd van de Mayabeschaving van enkele eeuwen eerder. Het bevat astronomische tabellen, almanakken en beschrijvingen van rituelen, voorspellingen van planeetbewegingen en seizoenen, allemaal in het veelzijdige en moeilijk te ontcijferen hiërogliefenschrift dat de Maya hanteerden. Het zal duidelijk zijn dat de zeldzaamheid van deze codex niet heeft bijgedragen aan een gemakkelijke ontcijfering ervan.
De Dresdener codex geeft, samen met de bouwwerken die de Spaanse overheersing overleefd hebben, aanwijzingen voor het door de Maya gehanteerde getallenstelsel, hun astronomische kennis en conclusies en, voortvloeiend uit die twee, hun kalenders.
Daarvan hadden de Maya er drie. De basis daarvan werd gevormd door hun twintigtallig stelsel, waarschijnlijk simpelweg gebaseerd op het tellen op vingers en tenen. (Het Maya woord ‘uinic’ geeft hiervoor een aanwijzing: het betekent zowel ‘een twintigtal’ als ‘een mens’.) De eerste van de Maya kalenders had 18 maanden van 20 dagen elk. Doordat de Maya goede astronomen waren, wisten ze dat er een verschil van 5 dagen zat tussen deze kalender en een zonnejaar van (ruim) 365 dagen. Vijf schrikkeldagen voegden ze toe – onheilspellende ‘lege dagen’, want ontfutseld aan de natuur. De indianen bleven op deze schrikkeldagen angstvallig binnen en ondernamen geen activiteiten. Deze kalender werd de ‘Vage kalender’ genoemd.
Een tweede kalender bevatte 13 cycli van 20 dagen. Het aantal van 13 cycli was afgeleid van het aantal ‘hemelen‘ uit hun mythologie. Dit resulteerde in een religieus jaar van 260 dagen, de ‘Tzolkin-kalender’. Ten slotte bestond er nog een Venus-kalender van 584 dagen; de periode die Venus nodig had om ten opzichte van de aarde en de zon in dezelfde positie te komen.
Een combinatie van verschillende elementen uit deze veelheid aan tellingen kwam bij elkaar in dat wat de ‘Lange Telling’ genoemd wordt. Die Lange Telling is uiteindelijk te herleiden naar het jaar 2012 – tenminste, als je van goede wil bent. Het ‘Vage jaar’ werd voor een Lange Telling nog eens twee keer met 20 en één keer met 13 vermenigvuldigd – getallen die zo’n basale rol speelden in het leven van de Maya, want menselijk (20) én hemels (13). Deze Lange Telling vormde in de ogen van de Maya een cyclus. Als start van deze cyclus was een dag gekozen die in onze kalender bekend is als 5 september 3114 v.Chr. Waarom die dag gekozen werd is niet geheel zeker, maar waarschijnlijk gaat het om een moment dat het leiderschap van een Maya koning op zijn opvolger was overgegaan. Zoals vaker in de geschiedenis zijn oorsprongen van tellingen meestal pas later in een ver en vaak mysterieus verleden gesitueerd – Romulus, Jezus, Mohammed – en zo was dat ook hier het geval. Hoe dan ook: wanneer je de Lange Telling start op de genoemde datum komt deze cyclus 1.872.000 dagen later ten einde, op 21 december 2012.

‘Daar moeten we iets mee’, moet iemand op een keer bij het wakker worden gedacht hebben. Om daar dan ook maar direct het einde der tijden aan te verbinden vond ik een wel erg grote stap. Maar dat was wel wat er zich in de hoofden van een aantal doemdenkers had genesteld, tegen het einde van het eerste 20ste eeuwse decennium. Er zijn diverse websites over gemaakt, musea houden er tentoonstellingen over, er zijn boeken over verschenen en een Hollywoodfilm kondigde het einde in al zijn spektakel aan.
Het meest werd ik getroffen door een gesprek met Susanne Andriesse¹, in een documentaire die door Netwerk in 2009 werd uitgezonden. Haar verhaal werd in de uitzending aangekondigd door een opgewekt het decor binnenstappende presentatrice, wier blik en stem een serieuze toon aannamen bij het introduceren van de documentaire. Susanne Andriesse werd thuis gefilmd. We stonden direct in haar slaapkamer. ‘Nou hier ligt ‘ie dus’, wees Andriesse ons op het nog ingepakte reddingsvlot, dat bovenop de slaapkamerkast lag te wachten op het einde der tijden. Andriesse, een blonde veertigster met een Rotterdams accent legde uit hoe zij aan de op handen zijnde ramp meende te gaan ontkomen. Nadat het water haar slaapkamerraam is ingestroomd (‘we zitten hier in Haarlem, best dicht bij de kust’) wil ze het vlot inspringen, Het zal vanzelf opengaan. ‘Zoals ze het voorspeld hebben is het 2012, in december, dus vlak voor de kerst – dan moeten wij in principe dus die poolshift gaan krijgen.’ De interviewster liet na te vragen wat dat inhoudt.
¹De dame in kwestie heb ik een andere naam gegeven, zodat ze het in 2013 wat minder druk zal hebben met het beantwoorden van vragen.
Alsof mevrouw Andriesse van haarzelf nog niet voldoende de schrik in haar benen had, trakteerde de Netwerkverslaggeefster haar op een bezoek aan de rampenfilm ‘2012’. Een typische Hollywoodfilm, dus daarmee waren de omstandigheden en het verloop van het verhaal van tevoren al uit te tekenen: gewone man lijdt gewoon leven met bovengemiddeld knappe vrouw, ontpopt zich als zo ongeveer de enige die doorheeft dat op 21-12-2012 de wereld zal vergaan, krijgt gelijk, maar redt desondanks zichzelf, zijn gezin en vooral veel andere Amerikanen. Dit alles tegen een even gewelddadig als onwaarschijnlijk decor van openscheurende grond, in de aarde wegzakkende bergen en vooral heel veel water. Susanne slaat haar hand voor haar mond bij het zien van de massa’s water die de Tibetaanse bergen overstromen. Ze deinst achteruit in haar bioscoopstoel.
‘Wetenschappelijk gezien is dit absolute lariekoek’, stelt wetenschapsjournalist Maarten Keulemans de verslaggeefster na afloop gerust. In zijn boek Exit Mundi – het einde van de wereld, de 50 beste scenario’s, schrijft hij: ‘De Lange Telling duurt 28.500 jaar. Dat is best een flinke periode, maar aangezien de aarde al een ongelooflijke 4.500 miljoen jaar rondjes draait om de zon, heeft de aarde het ‘einde der tijden’ van de Maya’s al meer dan 150.000 keer doorstaan.’ Susanne Andriesse heeft hij er niet mee kunnen overtuigen; zij pakt nog wat extra flessen drinkwater in haar overlevingspakket.
Susanne Andriesse staat niet alleen in haar vrees. De Belg Patrick Geryl heeft een website met de veelzeggende naam www.howtosurvive2012.com – om de website binnen te gaan moet je op een woest in brand staande zon klikken. Dat biedt vervolgens een beschrijving van wat ons te wachten staat: veranderingen in het magnetische veld van de zon, resulterend in een omkering van het magnetische veld van de aarde, met als gevolg aardbevingen, tsunami’s, schuivende aardkorst en overstromingen tot op 3 kilometer hoogte. Maar ook deze man zal dat niet gelaten over zich heen laten komen – net zoals Susanne Andriesse bereidt hij zich voor: 5 gebergtes zijn al door hem uitgekozen om overlevingsbunkers in te bouwen. Iedereen met voldoende geld mag meedoen. Na alle verschrikkingen die zijn website verkondigt gloort er hoop onder het kopje ‘Finally’: ‘We, the survivors of 2012, will be able to compensate for the mistakes that have been made, like those in the area of ecology. You, a follower of an ecological wisdom paradigm, can associate with this for sure. You will have at your disposal an ambitious construction project together with all the relevant scientific information. As a result of that, a paradise-like civilization can rule on earth within a few hundreds to thousands of years.’ Net een hollywoodfilm, bedenk ik. En dat allemaal doordat de Maya’s 13 hemels telden en een twintigtallig stelsel hanteerden.

Op internet, en niet alleen daar, volgen de speculaties over 2012 elkaar in hoog tempo op. Naast de nuchtere reacties uit wetenschappelijke hoek, die zonder uitzondering de speculatie beargumenteerd bestempelen als mythe, zijn er ook reacties van ‘de gewone mens’. Bij het lezen ervan krijg ik af en toe het gevoel alsof ik me in een andere dimensie bevindt.
Om u te laten zien wat getallengekte bij mensen los kan maken, geef ik u de volledig willekeurig door mij gevonden eerste twee reacties. Echt, meer dan het invoeren van ‘2012’ in Google en klikken op de eerste link die naar voren kwam heb ik niet gedaan. (Het is wel van enige tijd geleden.) Iemand schrijft: ‘Ik heb ergens gelezen dat de zonne-energie verandert en dat we dan opnieuw beginnen zonder elektriciteit maar dan op een hoger niveau. Dus dat we de dingen die we hebben uitgevonden niet meer kunnen gebruiken omdat de energie niet meer klopt of zo.’ Benieuwd geworden hoe andere websurfers hier weer over denken, begin ik met het lezen van de hierop volgende reactie: ‘Ik geloof niet dat de Maya’s gelijk hebben of gelijk krijgen.’ Dat klinkt enigszins hoopvol, hoewel ik niet geloof dat de Maya erop uit waren om gelijk te krijgen met een voorspelling die ze niet gedaan hebben. Echter, verder lezend neemt de argumentatie ineens een verrassende wending, want dezelfde persoon vervolgt: ‘Ik geloof meer dat de Bijbel gelijk gaat krijgen. Waar halen ze 2012 vandaan? Op grond van welke berekeningen baseren zij dit? Niet uit de Bijbel, die geeft een heel andere berekening. Volgens de Bijbel zal het pas in 2034 geschieden, dat deze wereld, of Bijbels gezegd, ‘dit samenstel van dingen (Satans wereld)’, ten onder zal gaan. Noach bouwde de ark voor de zondvloed in 120 jaar. En vanaf 1914 een Bijbels magisch jaar gerekend is 1914 plus 120 jaar 2034. Om 1914 te verklaren moeten we uit Daniël 4 vers 13-16 vernemen dat er zeven tijden der heidenen zijn. In het jaar 606 voor christus moest de laatste koning van Israel, Zedekia, zijn kroon afzetten. Van 606 voor christus tot 1914 na christus is 2520 jaar – het tijdsbestek van de zeven tijden der heidenen.’

Meer dan wat dan ook, tonen dergelijke speculaties waarschijnlijk vooral iets aan over de betrouwbaarheid van uitkomsten, wanneer je rekenwerk overlaat aan believers.

ZomertijdDe Amerikaanse staatsman Benjamin Franklin schreef in de 18de eeuw op cynische wijze over de ‘liefde van de Parijzenaars voor laat opstaan hun daarmee gepaard gaande vertrouwen op kunstmatige verlichting in de late avond.’ Misschien dat dat de Brit William Willet ter orde was gekomen, vele jaren later, want deze Engelsman stelde voor om in de zomer langer van het daglicht te profiteren.

Niet door de mensen zich aan de tijd te laten aanpassen, maar door de tijd aan de mensen aan te passen. Het idee van de Daylight Saving Time (DST) was geboren. De klok moest in het voorjaar een uur vooruit gezet worden (en in het najaar een uur terug), zodat de mensen ’s ochtends zouden kunnen profiteren van het vroege zonlicht en ‘s avonds een uur minder gebruik hoeven maken van energievragend kunstlicht. De idee was eenvoudig: de uren vanaf zonsopgang, in de zomer al rond 05.00 of 04.00 uur ’s ochtends, werden door vrijwel iedereen in de duisternis achter de dichte oogleden doorgebracht, terwijl men in de loop van de avond bij de invallende schemering een beroep moest doen op kunstlicht. Dat kostte onnodige hoeveelheden energie; het levensritme een uurtje verschuiven zou elke zomerdag een uur kunstlicht minder vergen. De simpelste oplossing, een uur eerder opstaan dan men gewend was, bleek het moeilijkst om te realiseren. De mens is nu eenmaal een gewoontedier dat, als het maar even kan, liever de hem omringende natuur verordonneert zich naar zijn wens te schikken dan zich zelf aan het ritme van de wereld aan te passen. In dat inzicht zou dan ook het succes van DST besloten liggen. Maar de invoering ervan was niet iets wat zonder slag of stoot zou gaan. Tegenover elk goed argument om DST in te voeren stond wel weer een tegenargument. Willet had uitgerekend dat het gebruik van een uur extra zonlicht gedurende 210 dagen per jaar Groot-Brittannië alleen al een besparing aan energiekosten van minimaal £ 2,5 miljoen op jaarbasis zou opleveren (het equivalent van £ 100 miljoen tot £ 200 miljoen tegenwoordig). Fruittelers zouden hun fruit in de koelere ochtenduren kunnen plukken – landbewerkers echter protesteerden omdat zij een uur zouden verliezen: ze konden pas gaan hooien als de zon de dauw op het veld had opgedroogd. Voorstanders wezen op het extra uur dat mensen zouden hebben na het werk, om van de vrijheid in het zonlicht te genieten – tegenstanders vonden dat je niet moest toegeven aan luiheid en gewoon een uur eerder op moest staan. Verkopers van sportartikelen zagen in het uur extra daglicht meer omzet van bijvoorbeeld golfartikelen – theatereigenaren brachten naar voren dat zij juist daar dat extra daglicht publiek zouden verliezen, mensen trokken immers pas richting de theaters na zonsondergang. Optimisten wezen op het betere zicht dat automobilisten tijdens de avondspits zouden hebben, met een daling van het aantal ongelukken als wenselijk gevolg – pessimisten met gevoel voor de onontkoombaarheid van statistiek schetsten juist dat treinongelukken direct na het invoeren van DST onvermijdelijk zouden zijn, door de verwarring die het gesjoemel met de tijd zou opleveren. Progressieven benoemden DST als vooruitgang – een Amerikaans conservatief congreslid daarentegen dat zich later in de discussie zou mengen stelde gekscherend voor dat de regering dan ook maar speciale thermometers beschikbaar moest gaan stellen met het vriespunt gemarkeerd op 45ºF (º C) in plaats van op 32ºF (0º C), zodat mensen als vanzelf hun thermostaat ook 13ºF lager zouden zetten. Misschien wel de meest opmerkelijke oppositie tegen DST kwam van William Bell en Jacob Rosenwasser in New York. Hun onderkomen aldaar bestond uit de Sing Sing Prison, afdeling Death Row. DST zou negen dagen voor hun ontmoeting met de elektrische stoel ingevoerd worden, waardoor de toch al korte resterende levensduur van deze twee veroordeelde moordenaars ook nog eens met een uur verkort zou worden. (Het tijdstip van hun executie zou niet verzet worden).
Wat de Britten, en later ook andere groepen, vooral deden nadat Willet zijn voorstel in 1907 had beschreven was erover discussiëren, jaren lang. De Grote Oorlog die in 1914 uitbrak maakte energiebronnen schaarser dan ze al waren. Dat wisten de Engelsen ook, maar toch zou het hun vijand zijn die dit principe van energiebesparing voor het eerst in de praktijk zouden brengen. Sommerzeit werd door de oorlogsmachinerie van Duitsland vanaf april 1916 ingevoerd. De Engelsen werden wreed opgeschrikt uit hun discussie over hun Daylight Saving Time en konden nu niet meer achterblijven. Een maand later voerden zij hun zomertijd in. Nederland volgde. DST of Zomertijd, zoals wij het kennen, was duidelijk een oorlogskind: ingevoerd tijdens WO1, afgeschaft na 1918; weer ingevoerd in WO2, uitgezet na 1945. Pas tijdens een volgende grote crisis, de oliecrisis van de jaren zeventig, werd Zomertijd weer ingevoerd. Sindsdien weten we niet beter dan dat wij elk jaar op twee momenten machtiger zijn dan de zon, tijdens het switchen tussen zomer- en wintertijd.

Paus Gregorius wilde in 1582 zomaar tien dagen uit de kalender verwijderen. De zon, de dagen, de nachten: ze vormen de hartslag van het leven – kon je ongestraft zomaar tien van die hartslagen overslaan? Velen vonden van niet. Hoewel in de middeleeuwen de zon niet meer de hoogste baas was – haar plaats was immers ingenomen door God – werd tijd alsnog niet gezien als iets maakbaars, manipuleerbaars. Daarvoor waren ook bewijzen, even duidelijk als middeleeuws.

Het uit de pas lopen van de Juliaanse kalender met het zonnejaar was al bekend vóór de tijd van Gregorius. Zijn collega Paus Clemens IV had in 1347 ook al een inhaalslag aangekondigd. Vier dagen zouden moeten worden overgeslagen, in 1349. Toen het eenmaal zover was, was een kalendercorrectie het laatste waar de aandacht naar uit ging. Die werd in beslag genomen door de Zwarte Dood. Heel Europa hoestte bloed op, zat onder de builen en kreeg zwarte en paarse vlekken op de huid. Europa was ziek, en Azië, waar de dodelijke ziekte vandaan kwam met haar. De pest raasde over het continent en zorgde alleen al in Europa voor 30 miljoen dodelijke slachtoffers – ongeveer een derde van de gehele bevolking werd door de Zwarte Dood meegevoerd op zijn genadeloze reis. Niet alleen de ziekte maar zelfs de pestdokters, degenen die de pandemie tevergeefs probeerden te bestrijden, zagen er dreigend uit met hun lange gewaad, masker en snavel. In de snavel zaten kruiden, bedoeld om het inademen van bedorven lucht tegen te gaan. Een zinloze maatregel, omdat de pest wordt overgedragen door een bacterie, via vlooien en zwarte ratten – diersoorten die in de veertiende eeuw zo ongeveer behoorden tot het meubilair van het dagelijks leven. In de straten van Europa stonk het in het jaar 1347 naar de dood. Alsof de Zwarte Dood wilde aantonen dat hij even onontkoombaar was als het voortschrijden van de tijd, begaf hij zich in de richting van de wijzers van de klok door Europa door achtereenvolgens Italië, Frankrijk, Spanje, Engeland, Duitsland, Noorwegen en Rusland. Handel en oorlog – twee primaire levensbehoeften, zou je kunnen zeggen – zorgden voor verspreiding, ook naar de omringende landen. De eerste afdoende maatregel tegen bacteriën werd pas in de 20ste eeuw ontdekt. Bij de tijd van de Zwarte Dood hoorden andere soorten ontdekkingen. Zoals dat over de datum van 20 maart 1345, waarop Saturnus, Jupiter en Mars in samenstand waren. Ook stond Mars in een hoek van 40° met Aquarius. Met het uitblijven van werkelijke kennis over de oorzaken van de Zwarte Dood werden deze astronomische verschijnselen gezien als mogelijk samenhangend met het uitbreken van de pest. Als dat bizar klinkt nodig ik u uit eens in uw omgeving te vragen naar wie wel eens een horoscoop leest.
Planeten, de zon, sterren – daar kwam het kwaad vandaan. Maar ook aan de hemelen werd het onheil toebedacht: de pest was een straf van God voor de zondige mens. De kerk kon zijn handen niet in onschuld wassen: zijn inhaligheid had deze ramp mede veroorzaakt. En dat alles aan de vooravond van de aankondiging door de hoogste in rang van diezelfde kerk, Paus Clemens IV, over een aanstaande kalenderherziening.

Met de hemellichamen als radertjes van het bestaan moet je niet sollen, zo was ook in 1582 bij veel mensen de opvatting. De naderende verdwijning van tien dagen bracht herinneringen boven aan de zwarte tijden die de Zwarte Dood had gebracht. Als geïrriteerde planeten niet voor dood en verderf zouden zorgen, dan toch op zijn minst God zelf wel. En wat te denken van de heiligen? De bestaande kalender vormde voor veel katholieken een aaneenschakeling van heiligendagen – de lijst van ‘naam- en heiligendagen’ zoals die tegenwoordig door de katholieke kerk is vastgesteld bevat er bijna 150 per jaar, van ‘Heilige Maria, moeder van God’ op 1 januari tot en met ‘Heilige Stefanus, diaken en eerste martelaar’ op 26 december. Hoe zouden die heiligen reageren, als de mensen ze ineens op een andere dag gingen herdenken? Zouden die zich voelen als een jarige zonder visite?
De religieuze verdeeldheid die sinds de door Luther ingezette Reformatie bezit had genomen van West-Europa, maakte dat het woord van de Paus niet ieders wet was. Het katholieke Italië en ook Spanje waren de enigen die en masse gehoor gaven aan de opdracht van Gregorius XIII. De inwoners van deze landen deden ’s avonds op 4 oktober het licht uit, om de volgende ochtend door het zonlicht van 15 oktober gewekt te worden. Protestanten dachten daar anders over, zeker omdat Gregorius zijn autoriteit had verkregen van het Concilie van Trente, de vergadering van de leiders van de katholieke kerk, waar nota bene de contrareformatie was gestart: het heroveren van het geestelijke en wereldlijke terrein dat was gewonnen door de protestanten. Dat maakte voor veel protestanten alles dat alleen al riekte naar Trente en Pauselijke wierrook direct verdacht en onacceptabel. Zij verwierpen de correctie. Zo schreef de Duitse hoogleraar in de theologie Jakob Tübingen:
‘We erkennen deze Lycurgus* de kalendermaker niet. Hij is geen herder maar een huilende wolf. Hij wil zijn walgelijke wetten, zijn heidense, ontheiligende praktijken en zijn boosaardige, gevaarlijke en goddeloze dogma’s beetje bij beetje opdringen aan onze kerkgemeenschappen’
* Lycurgus de draak, waarvan gezegd wordt dat zijn wetten in bloed zijn opgetekend. (Citaat uit De Kalender van David Ewing Duncan).

De angsten, onzekerheden en verschillen van overtuiging die over het 16e eeuwse Europa hingen zorgden ervoor dat de Gregoriaanse kalender met enkele flinke hink-stap-sprongen zijn weg door de geschiedenis vervolgd heeft. De eerstvolgende lente zou in Italië en Spanje op 21 maart beginnen, zoals bedoeld, maar in veel protestantse gebieden zou de equinox in 1583 weer op 11 maart plaatsvinden, net zoals de jaren ervoor. Frankrijk, hoewel grotendeels katholiek, vond de kalender iets seculiers, niet een speeltje van de Paus dus, en ging later in 1582 pas over tot het verwijderen van tien dagen uit het openbare en huiselijke leven; hier werd 9 december gevolgd door 21 december. In de Nederlanden ging de provincie Holland in december over op de Gregoriaanse jaartelling, en Zeeland pas in januari. Dat leidde tot de situatie dat tijdreizen plotseling mogelijk was: Hollanders zouden op (hun) 1 januari 1583 terug in de tijd kunnen reizen door zich naar Zeeland te verplaatsen en daar aan te komen in 1582. Dat toepassend op bijvoorbeeld een overlijden, zou kunnen betekenen dat iemand eerder zou worden begraven dan dat hij zijn laatste adem uit had geblazen. Boeren veronderstelden zelfs scheuringen in het dierenrijk, als een deel van de vogels hun trek naar het zuiden zouden gaan aanvangen en de rest nog niet.
Europeanen leefden op één continent maar in twee tijden. Tegelijkertijd weliswaar. Om elkaar te begrijpen was het noodzakelijk geworden om bij datumaanduidingen van officiële gebeurtenissen als trouwerijen, overlijden en zakelijke contracten en afspraken te vermelden om welk soort datum het ging: de Oude Stijl (OS) of Nieuwe Stijl (NS). Dat schiep misschien wel enige duidelijkheid, maar had nog steeds als gevolg dat bijvoorbeeld Pasen op twee verschillende dagen in het jaar gevierd werd. Dat moet een doorn in het oog geweest zijn van alle gelovigen, want Pasen was nou eenmaal de heiligste der dagen.
Nederland, Duitsland en Denemarken maakten op 18 februari 1699 de sprong naar de maand maart; het verschil tussen de Juliaanse en Gregoriaanse kalender was hier door het verstrijken van de tijd nog een dag groter geworden en gegroeid tot 11 dagen. De Zweden wilden de weg van de geleidelijkheid volgen en de schrikkeldagen tussen 1700 en 1740 overslaan, maar een militaire nederlaag, hen toegebracht door de Russen, deed hen geloven dat dat dieptepunt het gevolg was van het gerommel met de dagen – de Russen noteerden de dag van hun overwinning als 27 juni 1709 (OS), de Zweden als 28 juni 1709 (‘ZS’) en de meeste andere naties als 8 juli 1709 (NS) – en gingen in 1712 terug naar de Juliaanse kalender door toevoeging van een 30ste februari in dat jaar.
Engeland sloeg op 2 september 1752 elf dagen over naar de volgende dag, 14 september. Dat had veel voeten in de aarde gehad. De Britten hadden er 170 jaar over gedaan, gevuld met politiek, ruzies, oorlog met Spanje, zussenstrijd tussen de katholieke Queen Mary en de protestantse Queen Elisabeth, astronomische berekeningen en nieuwe hervormingsvoorstellen. De maatschappelijke onrust over de kalenderhervorming werd zelfs politiek aangewakkerd met het gebruik van de slogan ‘Give us back our eleven days’.

Pas in 1753 sloot Zweden zich aan bij de Nieuwe Stijl. Zwitserland was pas over in 1811, de Duitse protestanten gingen in 1755 pas in hun geheel akkoord met een leven in een nieuwe tijd.
Japan koos in 1873 voor de Gregoriaanse kalender. Talloze landen zijn pas in de 20ste eeuw overgegaan: Bulgarije, Letland, Litouwen, Estland, Roemenië, Joegoslavië, Rusland, Griekenland. In China duurde het zelfs tot 1949. Dat betekent overigens niet dat de hele wereld nu in hetzelfde tijdperk leeft. Orthodoxe Russen, Serviërs, Macedoniërs, Georgiërs, Polen en inwoners van Jeruzalem gebruiken nog steeds de Juliaanse kalender als het om christelijke feestdagen gaat; zij lopen nu dertien dagen uit de pas met hun civiele kalender, die ook de onze is. De orthodoxen in deze landen vieren het kersfeest op 7 januari.

Rond 1500 begon de lente op 11 maart. Dat was een gevolg van het hanteren van de Juliaanse kalender. Het verschil tussen het Juliaanse kalenderjaar van 365¼ dagen en de tijd die de aarde nodig heeft voor een volledige omloop rond de zon (tropisch jaar) is ongeveer 11 minuten. Dat lijkt weinig, op een mensenleven, want dat komt op slechts 1 dag in de 128 jaar. Maar vijf eeuwen geleden bestond dat verschil al anderhalf millennium en was daarmee opgelopen tot ruim tien dagen.

Dat had als gevolg dat inmiddels de lente buiten in de natuur al anderhalve week bezig was, terwijl de mensen binnen op hun kalender nog naar de winter zaten te kijken.
Men wilde dat de lente weer op 21 maart begon en niet op 11 maart. Daarom kwam Paus Gregorius XIII in 1582 kwam met zijn Calendarium Gregorianum Perpetuum (Eeuwigdurende Gregoriaanse Kalender). Hierin ‘bepalen en bevelen wij, dat van de maand oktober van het jaar 1582 de tien dagen worden geschrapt [tussen 4 en 15 oktober]’. Gregorius had er ook voor kunnen kiezen om de verschillen geleidelijk recht te trekken, bijvoorbeeld door een jaarlijkse kleinere correctie, maar koos voor een drastische maatregel. De mensen moesten op 4 oktober gewoon gaan slapen, gevolgd door een nieuwe dag op 15 oktober. De tien tussenliggende dagen zouden niet bestaan, opgeslokt door de veelvraat die verandering heet. De Juliaanse kalender zou op 4 oktober zijn laatste dag ingaan en de volgende dag, 15 oktober, opgevolgd worden door de Gregoriaanse kalender.
Dat werd niet door iedereen gewaardeerd. Letterlijk. De functionarissen die afhankelijk waren van het innen van huur, belastingen en rente zagen zomaar hun inkomen over oktober met een derde verminderen. Dat zij hiervoor in diezelfde tien te verdwijnen dagen ook niets te verhuren, belasten of te verrekenen hadden zagen ze voor het gemak over het hoofd. Gregorius was ook hier vooruitziend en had in zijn Inter Gravissimas ook opgenomen: ‘Opdat echter deze weglating van tien dagen geen nadeel brenge voor wie maandelijkse of jaarlijkse betalingen dient te verrichten, zullen de rechters tot plicht hebben bij elk geschil dat er zou kunnen uit voortvloeien, rekening te houden met genoemde weglating en de vervaldag van betalingen te verschuiven met tien dagen.’
Vervolgens beval Gregorius een aanpassing van de schrikkeljaren. Nog steeds moesten die om de 4 jaar plaatsvinden – een aanduiding die nu wel begrepen werd, in tegenstelling tot hetzelfde bevel dat ooit door Julius Ceasar was uitgevaardigd – behalve in de eeuwjaren (1700, 1800 enzovoort). De uitzondering op deze uitzondering zou gevormd worden door de eeuwjaren die deelbaar zijn door 400. Dat laatste zorgde er niet alleen voor dat deze kalender veel langer in de pas zou blijven lopen met de omloop van de aarde rond de zon, maar ook dat dit onderdeel van de veranderingen nog even werd uitgesteld, van 1600 naar 1700.
Gregorius was ook nog op andere manieren voorzichtig. Hij verbood alle drukkers ‘welke gevestigd zijn in het gebied dat rechtstreeks of onrechtstreeks behoort tot onze jurisdictie’ om de nieuwe kalender te drukken, om eventuele fouten te voorkomen. En ach, nu hij toch bezig was, voegde hij enkele regels later toe: ‘aan de andere drukkers, waar ook ter wereld, leggen wij hetzelfde verbod op’. Dat had ook handiger gekund, leek me, maar op een gebrek aan doortastendheid kon ik Gregorius niet betrappen, getuige zijn afsluitende artikel: ‘Het is dus aan elkeen, zonder uitzondering, verboden in te gaan tegen deze akte van ons voorschrift, verordening, decreet, wil, goedkeuring, verbod, opheffing, afschaffing, aansporing en verzoek, of er zich met roekeloze stoutmoedigheid tegen te verzetten. Indien echter iemand zich dit aanmatigde, dient hij te weten hij dat hij zich blootstelt aan de toorn van de Allerhoogste en van zijn heilige apostelen Petrus en Paulus.’
De mens zou de mens niet zijn als er geen bezwaren zouden zijn tegen het schrappen van tien dagen: wat te doen met te innen huur, rente en belastingen over de betreffende periode? Boeren veronderstelden zelfs scheuringen in het dierenrijk, als een deel van de vogels hun trek naar het zuiden zouden gaan aanvangen en de rest nog niet. De verwarring en onzekerheid werd uiteindelijke misschien wel het best geïllustreerd door de gedachte dat het leven door de ingreep ook met tien dagen bekort zou worden – de sterfdatum kwam immers nu tien dagen dichterbij te liggen op Gods kalender?

Als je wilt weten in welk jaar je leeft, en je niet over een nacht ijs wilt gaan, duizelt je het al snel van de mogelijkheden. Juliaans, Gregoriaans, Common Era, Maya – er zijn nogal wat kalenders die wedstrijdjes met elkaar doen. Maar de lijst is veel langer, denk ook aan de Griekse, Chinese, Hindoeïstische, Iraanse en de Joodse kalender. En dan sla ik er nog heel veel over.

Een verfrissend alternatief voor al deze verwarring is even geboden tijdens de Franse revolutie, met de Republikeinse kalender. Daar zocht men immers naar Gelijkheid, Vrijheid en tenslotte Broederschap. Om te beginnen: ‘Gelijkheid’ is niet iets waarvan je de verschillende manieren van kalenderen kunt beschuldigen. Zelfs binnen één kalender is gelijkheid een utopie, getuige de incompatibiliteit van jaar en maand en week. En ‘Broederschap’ en ‘Vrijheid’ creëer je daar dus zeker niet mee. Dat was precies de overtuiging die de Republikeinen er tijdens de Franse Revolutie toe bracht om een nieuwe kalender te ontwerpen: een jaar van 12 maanden van elk 3 weken van elk 10 dagen, aan te vullen met 5 schrikkeldagen (6 voor elk schrikkeljaar). De laatste dag van de week was een feestdag. Ambtenaren zouden niet moeten proberen om op de ‘normale’ zondag ook nog eens lekker uit te rusten, want dat betekende ontslag. De start van de Republikeinse jaartelling was 22 september 1792. Zoals bij alle kalenders was dat een moment dat lag in de geschiedenis, want dit werd in 1793 besloten, gevolgd door verplichtstelling in 1798.
De kalender klonk vrolijk. De vijf schrikkeldagen aan het eind van het jaar waren feestdagen genaamd Deugd, Genie, Arbeid, Mening en Vergoeding. De namen van de maanden waren bedacht door een dichter. De dagen hadden namen als ‘Saffraan’, ‘Veldsla’, ‘Nieskruid’ en ‘Zijderups’. Desondanks was deze ‘Kalender van de Rede’ geen lang leven beschoren. Napoleon schafte hem af toen de kalender pas 14 jaar oud was, in 1806 dus. Je zou voor deze mislukking van een relatief helder idee allerlei redenen kunnen aanbrengen, maar waarschijnlijk zat het falen voor een groot deel in een simpele rekensom. Men had in de Kalender van de Rede nog maar één keer in de tien dagen een vrije dag, in plaats van één keer in de zeven dagen. Tja, daar kon geen Gelijkheid tegenop.

Nieuwsbrief
Blijf op de hoogte van nieuws, verhalen en andere ontdekkingsschrijverij. Je kunt je hier aanmelden voor mijn maandelijkse nieuwsbrief.