Gezondheid

Hoe blijf je het best warm in winterse omstandigheden? Met een dikke jas, een muts of handschoenen, of al deze attributen gecombineerd? Ik legde deze vragen eens voor aan Bert Breed, Leidse ervaringsdeskundige in het zich begeven in koude omstandigheden*. Breed is een schaatser die zich graag natuurijs begeeft – in 1995 reed hij de Elfstedentocht uit.

‘Ongeveer de helft van het warmteverlies gaat via het hoofd. Het is dus vooral zaak om het hoofd te bedekken, als je warm wilt blijven. Bij de handen en voeten is het belangrijk om de doorbloeding op gang te houden, omdat dat voor de aanvoer van warmte zorgt. Bij het schaatsen zorg ik ervoor, dat ik ongeveer elke minuut mijn tenen beweeg. Dat houdt mijn voeten warm.’ Handschoenen of wanten helpen natuurlijk om het warmteverlies via de handen en vingers te beperken; belangrijk, want doordat het huidoppervlak hier relatief groot is, kan je hier snel warmte kwijtraken. Ik vroeg Bert Breed of hij nog tips heeft voor de kleding. Deze sportieve Leidenaar kon het niet nalaten om in de schaatssferen te blijven: ’Meerdere dunne lagen is beter dan bijvoorbeeld een dikke jas. Niet alleen isoleren meerdere dunne lagen beter, ook is het gemakkelijker om zo je kleding af te stemmen op temperatuurdalingen of -stijgingen, met het uittrekken van een van die laagjes bijvoorbeeld. Ik heb meestal 3 lagen aan, soms 4 of bij hevige kou 5. Thermisch ondergoed transporteert transpiratievocht naar de volgende laag. Ook dat is belangrijk, want dat vocht kan bevriezen, met alle gevolgen van dien. Zo heb ik tijdens een schaatstocht eens bevroren polsen opgelopen, zonder dat ik het merkte. Ik had het warm gekregen door de inspanning, mijn mouwen waren omhoog gekropen, en toen ik na afloop in bad zat bij te komen, zag ik allemaal blaren op mijn polsen ontstaan.’ Gelukkig bleven ernstiger gevolgen uit. Hoe zit het met dranken? Breed vervolgde: ‘Alcohol verwijdt de bloedvaten. Goed om na de inspanning de afvalstoffen te verwijderen, maar tijdens inspanning vermindert alleen maar de coördinatie erdoor. Warme dranken zijn wel goed, want die hoeft je lichaam zelf niet meer op te warmen, wat met koude dranken wel het geval is.’

Tenslotte kan de buitensporter nog meer gebruiken om op temperatuur te blijven, zo bleek. Breed: ‘De uitstekende delen kunnen bevriezen, dus die smeer ik altijd in met watervrije vaseline.’ Vet is immers een goede isolator. ‘Gezicht, neus, oren.’ Maar er is meer. ‘Geloof het of niet, maar ook je geslachtsdeel moet je invetten. Ik heb van een tocht op de Weissensee (waar o.a. de alternatieve Elfstedentocht wordt geschaatst) eens gehoord, dat iemand zijn geslachtsdeel bevroren was geweest. Het ontdooien was flink pijnlijk.’ Een gewaarschuwd mens telt voor twee, zou ik zeggen.

 

*Dit stuk is eerder gepubliceerd geweest in het Leidsch Dagblad in de rubriek De Kwestie.

De Leidse Emel van Stijn is gespecialiseerd in huidverbetering en geeft een verklaring voor het ontstaan van wallen en kringen onder de ogen. ‘Er zijn eigenlijk twee mogelijke oorzaken. De eerste is vetophoping onder de ogen. Het oog ligt als het ware in een vetlaagje. De huid die onder de ogen ligt wordt, net zoals op de rest van het lichaam, bij het ouder worden steeds slapper. Daardoor zakt het vetlaagje iets uit, met een beter zichtbare ophoping als gevolg. Omdat je rond de ogen ook nog een relatief dunne huid hebt is zo’n ophoping nog prominenter aanwezig. Dergelijke vetophopingen zijn erfelijk.’ Hoe kom je erachter of dat op jou van toepassing is? Van Stijn: ‘Kijk maar naar je familieleden. Hebben die ook meer dan gemiddelde verdikkingen onder hun ogen, dan is de kans groot dat het om erfelijke vetophopingen gaat.’

Blijkens het bestaan van een website genaamd www.wegmetwallen.nl worden wallen door meerdere mensen als een serieus (cosmetisch) probleem gezien. Wat kunnen die mensen er aan doen? Van Stijn: ‘Aan de erfelijke vorm is niet zo gemakkelijk iets te doen. Je kan met een crème wel wat camoufleren. Cosmetische chirurgie kan uiteindelijk ook een oplossing bieden. Meer mogelijkheden zijn er voor mensen die last hebben van wallen door vochtophoping, de tweede mogelijke oorzaak. Vermoeidheid kan bleekheid van de huid veroorzaken, waardoor het bloed onder de dunne huid sterker doorschijnt. Verder kan door blootstelling aan zon de pigmentatie op die plek sterker toenemen dan elders. Hier kan je ook op letten.’

Er wordt ook wel gezegd dat een goede nierwerking en vochtafscheiding door veel te drinken kan helpen, alsmede een gezond voedingpatroon. Huisarts Just Eekhof uit Leiden zet hier zijn kanttekeningen bij: ‘Een medische onderbouwing bestaat hier niet voor. Natuurlijk is voldoende drinken en goede voeding belangrijk. Maar als je aanleg hebt voor wallen zullen deze adviezen maar zeer zelden leiden tot verbetering.’

Blijkbaar hoeft niet alles een evolutionair voordeel op te leveren, sommige zaken zijn gewoon bijverschijnselen van ontwikkelingen en functies. Pigment heeft z’n beschermende functie, zo ook het onderhuids vetlaagje en beschermende oogkassen, die natuurlijk wel hun schaduwen afwerpen. Zodoende heeft een ogenschijnlijk nutteloos verschijnsel als wallen onder de ogen toch zijn diepere – tevens evolutionaire- oorzaken.

(Dit stuk is eerder gepubliceerd geweest in het Leidsch Dagblad in de rubriek De Kwestie.)

Waarom hebben mensen twee neusgaten? En niet één? Of drie? Is dat iets evolutionairs? Ik had de vraag het liefst voorgelegd aan de grote man achter de evolutietheorie zelf, vooral omdat hij vanwege de vorm van zijn neus bijna geweigerd werd aan boord van de Beagle. Kapitein Robert Fitz-Roy was van mening dat je aan de vorm van iemands neus zijn karakter kon aflezen, en dat van de jonge bioloog Charles Darwin stond hem in eerste instantie niet aan. Gelukkig kwam hij tijdig tot inkeer, waarna de Britse onderzoeker aan zijn later zo geroemde onderzoeksreis kon beginnen.

Ik blijf iets dichter bij huis, en legde de vraag voor aan de Leidse paleoantropoloog Paul Storm. Zijn reactie: ‘Waarom hebben mensen twee neusgaten? Leuke vraag, die je volgens mij breder moet trekken. Hoe zit het in de dierenwereld? Niet alleen mensen hebben twee neusgaten maar alle gewervelde dieren – vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren. Bij gewervelde dieren is er sprake van bilaterale symmetrie, dat wil zeggen: je kan ze één keer spiegelen. Er is niet alleen sprake van twee neusgaten maar ook van twee ogen, oren, armen, benen, nieren, enzovoort. Vanuit een evolutionair standpunt gezien gaat de oorsprong van twee neusgaten dus heel ver terug in de tijd en is niet typisch menselijk.’

Wat het evolutionaire voordeel is van twee neusgaten, is hierdoor overigens nog niet verklaard. Een aspect van de bilaterale symmetrie van bijvoorbeeld ogen en oren is dat hierdoor beweging, diepte en afstand te onderscheiden zijn. Amerikaanse psychologen die onderzoek hebben gedaan naar geurwaarneming, beweren dat ook hier richtingaanduiding een rol speelt. Proefpersonen konden onderscheid maken tussen geuren die toegediend waren in het ene of in het andere neusgat.

Verder heeft de neus nog twee belangrijke specifieke functies, die een groot oppervlak vereisen: lucht verwarmen en filteren. Des te groter het oppervlak van de binnenkant van de neus, des te beter kan de ingeademde lucht verwarmd worden, via de oppervlakkige bloedvaten. De longen kunnen beter met warme dan met koude lucht overweg. Tenslotte filteren de haartjes in de neus stofdeeltjes en vuil uit de lucht; ook dat kan beter met meer haartjes op een groter oppervlak.

Charles Darwin krijgt de postume eer om dit stukje af te sluiten. Hij schreef later in één van zijn brieven over de twijfel van kapitein Fitz-Roy over zijn neus: ‘I think he was afterwards well-satisfied that my nose had spoken falsely.’

(Dit stuk is eerder gepubliceerd geweest in het Leidsch Dagblad in de rubriek De Kwestie.)

De ontknoping van een romantische film, een emotioneel uitgesproken speech – ieder mens heeft zijn eigen brok-in-de-keel momenten. De vraag waardoor dat gevoel nou precies veroorzaakt wordt, legde ik eens voor aan dokter Dennis Kox, KNO-arts i.o. van het LUMC. ‘Een brokgevoel in de keel, dat in medische termen een globus wordt genoemd, komt vaak voor’, aldus Kox. ‘Veel patiënten zijn hierover ongerust, maar over het algemeen is het een onschuldig probleem.’ Ik doel met mijn vraag vooral op die laatste categorie, maar dokter Kox maakt duidelijk dat er in sommige gevallen ook lichamelijke oorzaken aan ten grondslag liggen. ‘Soms komen de klachten samen voor met een slijmprop in de keel die niet weggeslikt kan worden of een gevoel dat er een graatje in de keel zit. Het brokgevoel zit meestal ter hoogte van het strottenhoofd, waardoor de neiging ontstaat steeds te schrapen met de keel, te kuchen of vaak te slikken.’ Het gevoel dat er iets dwars zit – de spreekwoordelijke brok dus – heeft in de onschuldige gevallen alles te maken met spierspanning. De halsspieren trekken tijdens het slikken het strottenhoofd naar boven; iets wat duidelijk te zien is aan de bewegingen van de adamsappel, het voorste deel van dat strottenhoofd. Bij een te hoge spierspanning blijft het strottenhoofd iets steken, daalt niet meer naar de normale ruststand. Dit ervaart men als het brok-in-de-keel gevoel. Hieruit wordt ook duidelijk op welke manier emotionele momenten dit gevoel kunnen veroorzaken. Immers, emotie speelt zich niet alleen af in de hersenen, maar heeft ook zijn weerslag op onze gezichtsuitdrukking, lichaamshouding, en spierspanning. Je kunt het brok-in-de-keel gevoel zelfs eenvoudig bij jezelf oproepen, simpelweg door het lezen van de volgende drie zinnen. Je slikt per dag gemiddeld ruim een liter speeksel en neusslijm door, onbewust. Op het moment dat je je hier bewust van bent, gaat dat niet meer ongemerkt. De kans is groot dat je door dat bewustzijn een brok in de keel krijgt, of in elk geval duidelijk merkbaar iets weg moet slikken.

Dokter Kox resumeert: ‘We spreken van een brokgevoel of globus als er geen lichamelijke afwijking gevonden wordt.’ Uiteraard krijgt een dokter veel te maken met mensen waar wel iets lichamelijks aan de hand kan zijn. Zijn advies: ‘Bij twijfel altijd de huisarts raadplegen. Hij of zij zal dan bepalen of het nodig is u door te verwijzen naar een specialist.’

(Dit stuk is eerder gepubliceerd geweest in het Leidsch Dagblad in de rubriek De Kwestie.)

NiezenGelukkig behoren mensen als de Britse Donna Griffiths en Michael Hippisley tot de uitzonderingen: Griffiths niesde als twaalfjarig meisje 977 dagen achter elkaar, en de veertienjarige Hippisley zou tijdens een aanval 1.200 keer in een uur hebben geniesd.

Wat is niezen eigenlijk? Wat voor functie niezen heeft, en waarom sommigen mensen tegen de zon inkijken als ze willen niezen, legt huisarts en epidemioloog Dr. Just Eekhof van het LUMC uit: ‘Niezen is een krachtige uitademing vanuit de longen, die meestal veroorzaakt wordt door prikkelende stoffen die irritatie geven aan het slijmvlies in de neus. Het is een reflexmechanisme, gericht op verwijdering van die prikkelende stoffen.’ Eekhof licht toe hoe dat in zijn werk gaat: ‘De irritatie leidt tot het vrijkomen van histamine (een neurotransmitter die voor signaaloverdracht tussen zenuwcellen zorgt). Hierdoor wordt een signaal afgeven aan de hersenen, die op hun beurt verschillende spieren aansturen om een niesreactie te starten. Het directe gevolg van het niezen is de verwijdering van de stoffen die de prikkeling hebben veroorzaakt. Dat is dan ook de functie van deze reflex.’ De mens blijkt in staat om hoge snelheden te bereiken, want de lucht kan met meer dan 150 kilometer per uur worden uitgestoten.

‘Het meest bekend is niezen als gevolg van een allergie’, vervolgt Eekhof, ‘zoals bij hooikoorts of allergie voor huisstof. Ook chemische stoffen, zoals ammoniak, kunnen een niesreflex opwekken. Wanneer mensen verkouden zijn is het neusslijmvlies gevoeliger en kan een geringe prikkel al een niesreflex geven. Bij verkouden mensen leidt niezen dus ook tot een verspreiding van de virussen en bacteriën die zich in de neus bevinden.’ De goede gewoonte om bij niezen of hoesten een hand de neus en mond te houden is dus meer dan een beleefdheidsvorm.

Waarom kijk je tegen het licht in wanneer je wilt niezen?  Eekhof: ‘Wanneer iemand aan voelt komen dat hij moet gaan niezen, helpt het bij ongeveer 1 op de 8 mensen om tegen het licht in te kijken. Het opwekken van de niesreflex werkt dan niet zoals hierboven beschreven. Niezen door tegen het licht in te kijken wordt toegeschreven aan een complex mechanisme waarbij gezichtszenuwen, oogbewegingzenuwen, gelaatszenuwen, het autonoom zenuwstelsel en de hersenstam betrokken zijn.’

Er zijn, volgens Eekhof, nog andere aanleidingen mogelijk dan stof of licht: ‘Ook zou niezen bij sommige mensen vaker voorkomen door het bereiken van een orgasme, door het denken aan sex of bij een volle maag.’ De Britse chirurg M.F. Bhutta en psychiater H. Maxwell hebben hier onderzoek naar gedaan, en vermoeden dat dit fenomeen vaker voorkomt dan gedacht. Maxwell was op een man gestuit die elke keer moest niezen wanneer hij aan sex dacht, en is daar vervolgens onderzoek naar gaan doen. De onderlinge samenhang tussen processen in het parasympathische zenuwstelsel zou hier een rol in spelen; hoe, dat is nog niet exact duidelijk.

Wat bij Griffiths en Hippisley de oorzaak van hun extreme niesbuien waren, is niet bekend gemaakt.

GriepElk jaar krijgen ongeveer 80.000 mensen in ons land griep. Voor de meesten blijft het bij een onschuldige week in bed. Maar, een griepepidemie eist gemiddeld duizend tot tweeduizend doden, vooral in de risicogroepen: ouderen, hart-, astma, nier en diabetespatiënten en anderen met een verminderde weerstand. Vooral dat laatste doet de vraag rijzen of de inname van vitamines helpt om de griep buiten de deur te houden. Dr. J.A.H. Eekhof, huisarts-epidemioloog van het LUMC, beantwoordt deze vraag. ‘Griep is het gevolg van een virusinfectie. Er zijn duizenden virussen die verkoudheden, luchtweginfecties, darminfecties enzovoort kunnen veroorzaken. De echte griep of influenza wordt veroorzaakt door het influenzavirus. Bij vitamines ten behoeve van mogelijke voorkoming van griep of verkoudheden hebben we het vooral over vitamine C. Over het effect van andere vitamines is eigenlijk te weinig bekend om daar iets zinvols over te zeggen. Naar het effect van vitamine C ter voorkoming en bestrijding van klachten als gevolg van virusinfecties is wel veel onderzoek gedaan. De uitkomst daarvan is dat het nemen van extra vitamine C niet helpt om griep te voorkomen.’ Eekhof duidt hier op extra vitamines, in de vorm van preparaten, zo wordt duidelijk uit zijn vervolg: ‘Het is echter wel van belang om te zorgen dat de dagelijkse maaltijden voldoende vitamines bevatten. Goede gevarieerde voeding, voldoende beweging en geestelijke ontspanning helpen de weerstand op peil te houden. Een tekort aan vitamines vergroot de kans op virusinfecties. Wanneer je zorgt dat je dagelijkse voeding voldoende vitamines bevat is het nemen van extra vitamines niet zinvol.’

Is er iets anders dat de mensen uit de risicogroep kunnen doen ter voorkoming of bestrijding van griep of een virusinfectie? Eekhof: ‘Voor mensen met een verhoogd risico is vaccinatie zeer zinvol. De griepprik verkleint bij deze kwetsbare mensen de kans op een ernstig beloop van de griep en de kans op complicaties. Overigens is bij een gevaccineerde patiënt de kans op influenza kleiner, maar niet uitgesloten. Ook beschermt de vaccinatie alleen tegen de influenzavirussen die in het vaccin zijn opgenomen en niet tegen alle andere virussen die vergelijkbare klachten kunnen veroorzaken.’ Dat laatste komt, doordat de Wereldgezondheidsorganisatie elk jaar een vaccin ontwikkelt op basis van de verwachtingen over welke virusvarianten actief zullen worden. Doordat deze varianten vaak mutaties zijn van griepvirussen van het jaar daarvoor, is men in staat de kans op nieuwe infecties te verkleinen, maar duidelijk is dat deze zo niet geheel zijn uit te sluiten.

VerkoudenEen vraag die telkens weer de koude kop op steekt in de winter , is die over ‘kou vatten’. Wat is het eigenlijk, en kun je erdoor verkouden worden? Als je de moeders moet geloven die hun kinderen manen om bij het naar buiten gaan altijd hun jas aan te doen, zou je aannemen van wel. Ik legde de vraag voor aan huisarts De Jongh, docent in het LUMC. ‘Kou vatten is een lastig begrip’ vertelt dokter De Jongh. ‘Verkouden zijn komt door een virusinfectie van de neus en bovenste luchtwegen. Je wordt verkouden doordat andere mensen je aansteken, meestal door hoesten en kuchen. Dat heeft echter niet te maken met kou vatten, want het is onafhankelijk van de temperatuur buiten.’

De kou lijkt hiermee uit de lucht: een losse jas maakt je dus niet ziek. Integendeel, zoals blijkt uit de verdere uitleg van De Jongh. ‘Sterker nog, als je alleen buiten wandelt kan niemand je aansteken en word je ook niet verkouden. In de winter zitten mensen echter gezellig binnen, waar de temperatuur vrij hoog is en de lucht droog, hierdoor gedijen de virussen goed. Je loopt dus aanzienlijk meer kans om verkouden te worden wanneer je gezellig met zijn allen rond de tafel een kopje thee drinkt, dan wanneer je alleen een boswandeling maakt. Ook het idee dat je longontsteking oploopt als je de kou ingaat en geen das om hebt of onvoldoende gekleed bent, is onjuist. Ook dat is een infectie die je vooral van anderen krijgt. Alleen als je onderkoeld raakt neemt je weerstand zover af dat je een gevaarlijk infectie op kan lopen.’

De term ‘verkoudheid’  neemt ons dus nogal bij de neus, zo blijkt. Dat we toch die term hanteren voor deze infecties, zou te maken kunnen hebben met de hogere frequentie hiervan in de koudere perioden van het jaar. En dat heeft dan weer alles te maken met de uitleg van dokter De Jongh over het binnen zitten – dat doen we nu eenmaal ’s winters meer dan ’s zomers.

De beste manier om de verkoudheid buiten de deur te houden is . . . handen wassen. Volgens de Public Health Agency van Canada, een land waar het behoorlijk koud kan zijn, wordt zo’n 80% van de meest voorkomende infecties overgedragen via de handen. Het is dan ook niet toevallig, dat de directeur van dit instituut, dokter Butler-Jones, in zijn 12 pain-free ways to a healthier life de 1ste plek heeft ingeruimd voor Wash Hands.

Charles BoothToen Charles Booth, de nieuwe voorzitter van de Royal Statistical Society, zich in de tweede helft van de 19de eeuw in Londen vestigde, schrok hij van de grote verschillen in sociale omstandigheden van de Londenaren. Booth startte zijn eigen sociologisch onderzoek. Hij was waarschijnlijk iemand die niet snel tevreden was, want het duurde achttien jaar voordat hij zijn bevindingen publiceerde in het zeventiendelige Life and Labour of the People in London. Daarin was een kaart opgenomen met de alleszeggende titel Descriptive Map of London Poverty 1889. Booth had rijkelijk kleuren gebruikt, om zijn indeling van de welstandsniveaus in zeven categorieën inzichtelijk te maken. Hij had de eerste demografische kaart gemaakt.

Ik vind drie zaken interessant aan Booth’s innovatie. In de eerste plaats het gegeven van de innovatie zelf, de nieuwe toepassing, als start van de demografie. Demografisch onderzoek wordt tot op de dag van vandaag intensief gebruikt door marketeers, verzekeringsmaatschappijen, kredietverstrekkers en andere beroepsgroepen die een inschatting willen maken van kansen en bedreigingen. In de tweede plaats was de invloed van Booth’s werk opmerkelijk. Dat resulteerde namelijk in de invoering van een staatspensioen in 1908, omdat Booth met zijn werk had aangetoond dat armoede, werkeloosheid, leeftijd en criminaliteit nauw met elkaar verbonden waren.

Het derde aspect dat me opvalt is de beschrijving van de zeven categorieën op de legenda. Enerzijds had die beschrijving ten grondslag gelegen aan de opgedane inzichten, anderzijds zat er een flink stigmatiserend element in. Ik geef ze je voluit, in aflopende volgorde, zodat je zelf kunt zien wat ik bedoel:

Poverty map van Charles Booth

  • Upper-middle and Upper classes. Wealthy.
  • Middle class. Well-to-do.
  • Fairly comfortable. Good ordinary earnings.
  • Mixed. Some comfortable, others poor.
  • Poor. 18S. to 21S. a week for a moderate family.
  • Very poor, casual. Chronic want.
  • Lowest class. Vicious, semi-criminal.

Booth leek met zijn ‘semi-criminal’ nog bijna een voorbehoud te willen maken (‘ik zeg niet dat het allemaal criminelen zijn hoor, die ‘lowest class people’, maar ze zitten er wel heel dicht tegenaan’), maar erg empathisch komt zijn legenda niet over. Ik stel me voor dat zo’n indeling, of een variant daarop, tegenwoordig gebruikt zou worden. Met de toevoeging van nog een karakteristiek, bijvoorbeeld etniciteit, zou je de maatschappelijk en politieke poppen helemaal aan het dansen krijgen.
Maar, zoals gezegd, hervormer Booth bereikte zijn doel, waar op zichzelf niemand iets op tegen had kunnen hebben, want de ‘Old Age Pensions Act’ bleek levensreddend voor miljoenen Britten.

Ik vind dat de Map of Poverty van Booth heel goed het spanningsveld liet zien waar cartografen en de gebruikers van kaarten – u en ik – voor staan. Een kaart laat zien wat de maker wil laten zien. Het resultaat hangt dus net zo sterk af van de bedoelingen van de maker als van de opgenomen gegevens. Een niet te onderschatten element uit het visuele spel is de gebruiker. Soms zijn dat getrainde deskundigen: artsen, militairen, statistici. Maar vaker zijn dat leken: loodgieters, advocaten, schooljuffen en bankemployees, die alleen hun gezonde verstand kunnen inzetten om het bekijken van een kaart tot een goed en ongeschonden einde te brengen. Een klein beetje gezond wantrouwen zou hierbij behulpzaam kunnen zijn, lijkt mij.

At First SightVirgil werd kort na de tweede wereldoorlog geboren op een kleine boerderij in Kentucky. Hij zag slecht, en werd op jonge leeftijd vrijwel blind. Licht en donker kon hij nog wel onderscheiden, maar meer zat er niet in. Tenminste, dat leek heel lang zo, totdat hij op latere leeftijd Amy ontmoette. Zij zou in meerdere opzichten licht in het leven van Virgil brengen. Virgil en Amy werden verliefd, en de trouwdatum werd vastgesteld. Een nieuw leven brak aan voor de inmiddels 50-jarige Virgil. Niet in het minst door het idee dat zijn aanstaande vrouw had opgevat om het huwelijk als ziende aan te gaan: Amy stelde een operatie aan Virgil’s ogen voor. Dat dat er niet eerder in zijn leven van was gekomen had deels te maken gehad met de passieve instelling die de blinde vrijgezel gaandeweg in zijn leven had ingenomen.

Virgil stemde er mee in. Wat had hij te verliezen? De artsen zagen mogelijkheden. In september van het jaar 1991 was het zover. Virgil werd eerst aan zijn rechteroog geopereerd. De staar werd verholpen en hij kreeg een nieuwe lens. Het oog werd toegedekt met een verband, dat er na een etmaal af mocht.
Virgil zat op zijn ziekenhuisbed, omringd door ziekenhuispersoneel en Amy, toen de behandelend arts het verband begon te verwijderen. De grote vraag was of, en in hoeverre, de operatie Virgil zijn gezichtsvermogen had teruggegeven. Virgil vroeg zich heel iets anders af, nadat het verband was verwijderd. Zijn oog deed het, om het maar even technisch uit te drukken, maar daar leek dan ook alles mee gezegd. Maar Virgil had niet een uitgevallen zintuig teruggekregen. Het enige waar hij mee verrijkt was geworden was een grote staat van verwarring.
Iedereen keek Virgil aan, afwachtend, hopend op een kreet van bevrijding en blijdschap. Er gebeurde niets. ‘En?’ vroeg één van de artsen hoopvol, na een aantal lange seconden tussen hoop en vrees te hebben gewacht. Virgil draaide daarop zijn hoofd naar de arts. De stem van de arts was de eerste zintuiglijke waarneming sinds de verwijdering van het verband die Virgil kon thuisbrengen. Hij had geen idee gehad wat hij had gezien. Er was weliswaar licht, een explosie van licht bijna, er waren kleuren, er was beweging, maar dat leverde eerder een kakofonie aan indrukken op dan een synthetisch beeld. De verzameling rare vormen, gaten, lijntjes van licht en schaduw die zich vlak bij zijn oog had bevonden bleek de bron van de stem geweest te zijn – het moest dus wel het gezicht van de arts voorstellen, reconstrueerde hij. Virgils oog functioneerde, maar zijn hersenen konden niets maken van de wirwar van lijnen, vormen en bewegingen die voor alle andere aanwezigen zonder enige moeite waren te interpreteren als de meubels en de mensen om hen heen.

De start van Virgil’s ziende leven was exemplarisch voor het verdere verloop ervan. Vanwege het medische ‘succes’ van de operatie werd na enige tijd ook het linkeroog aan dezelfde soort operatie onderworpen, zoals vooraf ook gepland. Hoewel Virgil’s zicht niet voor 100% herstelde, zag hij voldoende om niet meer als blinde door het leven te gaan. Tenminste, dat was wat iedereen verwacht had op basis van het succes in medisch opzicht. De werkelijkheid was, dat Virgil gehandicapter was geworden dan hij ooit geweest was. Een stuk van zijn huis vol met lijnen en vlakken, licht en schaduw, bracht hem zeer van zijn stuk en stelde hem voor raadsels – voor iedere andere bezoeker in het huis stelde dat de trap naar de eerste verdieping voor. Virgil zag, maar nam niet waar. Dat ging zover, dat hij zijn hond en zijn kat niet van elkaar kon onderscheiden. Hij behandelde ze dan ook niet altijd overeenkomstig hun aard, tot ergernis van de huisdieren zelf.
De oplossing voor dit soort moeilijkheden lag voor de hand, maar vormde niet een lange-termijn oplossing. Het gebruik van zijn tastzin deed hem ontdekken of hij met zijn kat of met zijn hond te maken had, wanneer hij van de deur bij de trap was aanbeland, hoe hij een beker melk kon inschenken zonder er een enorme wanboel van te maken. Oftewel: leven als een blinde. Virgil had zich bijna een halve eeuw laten leiden door zijn sterk ontwikkelde tastzin, reukvermogen en gehoor; het was voor hem vrijwel onmogelijk om de op zijn netvlies vallende warboel van beelden met deze geoefende zintuigen in verband te brengen. Gevoel voor tijd was ook een belangrijk ‘zintuig’; Virgil schatte als blinde in hoe lang het duurde voor hij van de voordeur bij de trap was, en kon op die manier met een stabiele omgeving zijn weg moeiteloos vinden, net zoals dat geldt voor alle (geoefende ) blinden.
Virgil had grote moeite om het vermogen om te zien als uitbreiding toe te voegen aan zijn arsenaal zintuigen. Dat was meer dan lastig – het was verwarrend en destructief – maar kwam misschien nog wel het sterkst tot uitdrukking wanneer zijn zintuigen elkaar gingen tegenspreken. Dat was het geval bij het kijken naar tweedimensionale afbeeldingen. Een schilderij was niet meer dan een vlak met kleuren, zelfs als het ging om figuratieve werken. Een foto van een landschap zei hem niets. Een afbeelding van een appel vormde een raadsel.
In plaats van de euforie die je zou verwachten bij een blinde die zijn zicht terugkrijgt, had het Virgil niets dan ontreddering, verlatenheid en angst opgeleverd. Hij verviel steeds meer in het gebruik van zijn getrainde zintuigen, maar dan met gesloten ogen, om zich weer te kunnen bewegen in een voor hem bekende wereld. Hij ging zich weer als blinde gedragen. Uiteindelijk werd hij ziek en stierf als een ongelukkig mens.

(Het waargebeurde verhaal van Virgil is later verfilmd als At First Sight.)

(Lees meer over onze irrationele omgang met gezichtsbedrog in mijn boek dat verschijnt in het voorjaar van 2016. Zie ook https://www.ontdekkingsschrijver.nl/boeken/.)

Naast manipulatieve kaarten bestaan er gelukkig ook ‘goede kaarten’. Ik kwam eens een kaart tegen, die zo mooi was, dat ik ‘m onmiddellijk aan de muur zou willen hangen. De wereld stond er twee keer op. Bijna ouderwets, zou ik zeggen, met bollingen die zo ongeveer de kaart uit kwamen zetten.
Moeder aarde presenteerde zich hier. Het papier waarop de kaart was afgedrukt had een lichtbruine gloed over zich, wat het een authentieke uitstraling gaf. Het leek wel een zeldzaam kunstwerk. De bovenste afbeelding had veel groene vlakken, de onderste rode strepen. Die kleuren pasten mooi bij het bruine papier. Er was nog een inzetje met een vrolijk kleurrijk Europa, en in elke hoek stonden verklarende teksten. Het zou in elke kamer in ons huis kunnen verrijken met zijn aanwezigheid.
Bij nadere bestudering moest ik concluderen dat de kaart weliswaar vrolijk oogde, maar desondanks een treurige boodschap bevatte. Hij kwam uit de Berghaus Physikalischer Atlas van 1886 en heette ‘Verbreitung von Krankheiten – Endemische Krankheiten des 19. Jahrhunderts’.
De kaart was misschien wel tekenend voor zijn tijd. De wereld was geografisch gezien al in kaart gebracht – hoewel er geenszins eenduidigheid was over de manier waarop dat het beste kon gebeuren, zo was me duidelijk geworden – en er was zich een nieuw soort kaart aan het ontwikkelen: de thematische kaart. Hierbij ging het niet in eerste instantie om het weergeven van plaatsen en gebieden op hun geografische positie, maar om gegevens over de bevolking van de gebieden, of verschijnselen waar de cartografie in een zoektocht voorzag. Die bijna essayistische kaarten vond ik zeer boeiend. Ze waren het resultaat van speurtochten, die vaak met onbekende afloop door gepassioneerde (amateur)cartografen waren aangevangen, en uiteindelijk in veel gevallen zeer constructieve bijdragen hadden opgeleverd.
Het boek How to Lie with Maps verdient een waardige opvolger. Wie schrijft How to Solve Problems with Maps?

CholeraNadat ik kennis had gemaakt met de evolutiekaart van William Smith begon ik het vertrouwen in de goede bedoelingen van de meeste cartografen weer een beetje terug te krijgen. Een volgend voorbeeld dat hier aan bijdroeg was een 19e eeuwse kaart, die vrijwel geen enkele esthetische waarde had, maar puur in het teken had gestaan van wetenschappelijke vooruitgang. Het ging om de kaart van de Engelse arts John Snow in 1855. Onderwerp: cholera.

Snow was werkzaam in Londen, een stad die te lijden had onder een oncontroleerbare cholera-epidemie. Er was een probleem dat nog groter genoemd kon worden dan de ziekte zelf, namelijk de totale onwetendheid over de oorzaak en de wijze van verspreiding van de ziekte. De Italiaanse term voor slechte lucht, ‘mal aria’, toonde al aan dat de artsen in die tijd wel eens mis zaten met hun verklaringen; de term werd gegeven aan een ziekte die helemaal niet door de lucht werd overgebracht, maar door een mug. Ook in het geval van cholera dacht men dat men de oorzaak in rondvliegende luchtdeeltjes moest zoeken.
John Snow had er een ander idee over. Hij had weliswaar een hypothese, maar wilde die eerst staven, voordat hij er mee naar buiten trad. Dat deed hij door het maken van een kaart van de wijk Soho. Het was een arme wijk, waar mensen onder slechte omstandigheden moesten zien te overleven. Snow was doortastend. Hij ging alle huizen langs en stelde twee vragen: zijn hier gevallen van cholera, en van welke leverancier betrekt u het drinkwater? Er waren namelijk twee waterbedrijven, die soms in dezelfde straat hun klandizie hadden. De mensen haalden hun drinkwater bij de pomp in de straat, die in verbinding stond met ondergrondse opslagtanks. Toen Snow de antwoorden op zijn vragen in zijn kaart intekende – een zeer eenvoudig uitziende zwart-wit tekening, zonder enige vorm van opsmuk – werd het patroon snel zichtbaar. Veruit de meeste slachtoffers waren gevallen in Broad Street, waar één pomp aanwezig was, namelijk die van Southwork & Vauxhall. Ook in andere straten waren de choleragevallen gegroepeerd rond de pompen van dit waterbedrijf, terwijl de mensen die de pompen van de Lambeth Company gebruikten buiten schot waren gebleven. Het verschil zat hem hierin, dat de Lambeth Company zijn water stroomopwaarts uit de Thames haalde, terwijl Southwork & Vauxhall dat uit de vervuilde benedenloop deed, stroomafwaarts dus, vlak na de plek waar de riolen in de Thames uitkwamen. John SnowSnow had natuurlijk niet blindelings zomaar iets grafisch uitgezet. Het was geen schot in het duister geweest; hij had wel degelijk een idee gehad waar hij naar op zoek moest gaan. Toch werd de waarde van zijn hypothese pas evident door de eenvoudige maar doeltreffende kaart die hij had gemaakt. De pomp in Broad Street werd afgesloten, en de uitbraken van cholera stopten onmiddellijk. Snow stelde dat cholera en veel andere infectieziekten werden veroorzaakt door de verspreiding van heel kleine diertjes. Dat was wel eens eerder geopperd, maar nooit erg serieus genomen. Totdat hij met zijn kaart kwam. Het bestaan van deze ziektekiemen zou nog in dezelfde eeuw worden aangetoond.

Nieuwsbrief
Blijf op de hoogte van nieuws, verhalen en andere ontdekkingsschrijverij. Je kunt je hier aanmelden voor mijn maandelijkse nieuwsbrief.