Wetenschap

‘De werkelijkheid is slechts een illusie, zij het een heel hardnekkige’ zei Albert Einstein eens. En hij wist wel iets van relativiteit. Hoewel we vaak denken objectieve beslissingen te nemen, lukt dat ons maar moeilijk. Zoals met het uitbrengen van onze stem tijdens verkiezingen.

TodorovEr zijn veel manieren waarop we iets denken te zien wat er helemaal niet is. Hoogleraar psychologie Alexander Todorov van Princeton University heeft onderzoek gedaan naar hoe mensen een oordeel over iemand vormen op basis van zijn of haar gezicht, in het bijzonder in relatie tot verkiezingen*. Hij liet studenten portretfoto’s van verschillende mannen bekijken en vroeg zijn proefpersonen naar hun oordeel over onder andere voorkomendheid, intelligentie en leiderschap van de geportretteerden. De studenten oordeelden meestal binnen een seconde over de gevraagde karaktertrekken. De foto’s waren die van politici die aan verkiezingen zouden gaan meedoen. Nadat Todorov de scores op competentie had vergeleken met de verkiezingsuitslagen kon hij in ongeveer 70 procent van de gevallen het volgende concluderen: de winnaars bij de verkiezingen waren de politici die bij de fotobeoordeling het hoogst waren beoordeeld op competentie. Vergelijkbare studies in meerdere landen leverden dezelfde conclusie op: mannen met een sterke, ‘vierkante’ kin, een uitstraling van zelfvertrouwen met een glimlach hebben een grotere kans om verkiezingen te winnen dan mannen met een ronder gezicht of zonder glimlach. Of, om het wat breder te trekken: we vormen een oordeel over iemands eigenschappen zodra we naar zijn of haar gezicht kijken.
Een bekend praktijkvoorbeeld van welke rol dit effect in de politiek speelt is het eerste verkiezingsdebat tussen Richard Nixon en John Kennedy in 1960. Nixon was moe en zag er slecht uit; hij had geweigerd zich te laten schminken, wat zich wreekte onder de felle studiolampen. Kennedy straalde als een filmster. Amerikanen die het debat via de televisie hadden gevolgd vonden Kennedy de bovenliggende partij. Maar Amerikanen die hetzelfde debat niet hadden gezien maar alleen gehoord, via de radio, vonden dat Nixon het beter had gedaan. In latere debatten, toen Nixon zich uiterlijk herstelde en wel make-up liet aanbrengen, werden zijn televisieoptredens duidelijk beter beoordeeld.

Evolutionaire druk
Hoe komt het nou dat de studenten bij Todorovs experiment met de portretfoto’s binnen een seconde een oordeel over iemand vormden op basis van hun foto? Dat komt voort uit evolutionaire druk. Bij confrontaties in het wild is het van levensbelang om zeer snel een oordeel te vormen over de mate van bedreiging en gevaar die iemand met zich meebrengt. Iets of iemand met een dominante en agressieve uitstraling kun je beter mijden, terwijl een exemplaar dat vrolijk en niet dominant oogt weinig gevaar lijkt op te leveren. Dat gaat natuurlijk niet altijd op, maar toch vaak genoeg om er een evolutionair voordeel uit te halen. Je kunt beter twee keer te vaak wegrennen dan dat je één keer opgegeten wordt. Of dat fenomeen nog krachtig genoeg is om de samenstelling van een regering van af te laten hangen is de vraag, maar dat het een rol speelt bij het maken van keuzes heeft menig politicus al in of uit het zadel geholpen.

Snelle beslissingen
De Nederlandse hoogleraar evolutionaire psychologie Mark van Vugt heeft veel onderzoek gedaan naar hoe mensen leiders zien. Zijn conclusie: ‘Ons prehistorisch verleden lijkt ons een voorkeur te hebben meegegeven voor bepaalde type leiders.’** Zo neigen we soms bijvoorbeeld naar oud ‘en wijs’. ‘Besef hoe onlogisch dit eigenlijk is,’ aldus Van Vugt. ‘De oudste hoeft natuurlijk helemaal niet de verstandigste te zijn. Maar dit is hoe de evolutie werkt. Onze hersenen zijn ontworpen om snelle beslissingen te nemen. Dus ga je af op maar een of twee aanwijzingen, die het gehele plaatje samenvatten. (…) Ik denk dat dit veel verder doorwerkt dan de meeste mensen beseffen.’

* Bron: Inferences of Competence from Faces Predict Election Outcomes – Alexander Todorov.
** Bron: ‘The Presidential Face 2016’ – Maarten Keulemans, de Volkskrant, 7-11-2015.

Dit blog is een tekstfragment uit mijn boek Dagelijks Irrationeel, over de psychologie van zelfbedrog.

Hoe ontstaan toch die mooie ribbeltjespatronen in het zand. Door de golven van de branding? Of iets anders? Is daar een wetenschappelijke verklaring voor te geven?

Studentambassadeur Natuurkunde Johannes Simon van de Leidse Universiteit legde me eens uit: ‘Er is een aantal factoren, dat de vorming van ribbelpatronen ondersteunt. In het begin stroomt het water van de branding over het gladde zand en neemt iedere keer een kleine hoeveelheid korrels mee. Als er maar een kleine oneffenheid in het zandoppervlak zit, dan hebben de springende korrels een verhoogde kans om daar te blijven hangen. Heel langzaam vormt zich zo een klein heuveltje. Hoe hoger dit heuveltje wordt, hoe makkelijker er nieuw aangevoerde zandkorrels op zijn helling blijven liggen – de groei versterkt zich dus zelf!

Vanaf een bepaalde hoogte komt er nog een ander mechanisme bij: het stromende water gaat aan de achterkant van het heuveltje een wervel vormen. Deze turbulentie graaft daar langzaam een kleine greppel. Het uit die greppel vrijkomende zand wordt door het water weer verder mee gespoeld. Achter dat greppeltje gaat daardoor weer een volgend heuveltje ontstaan, omdat ook hier het zand makkelijk blijft hangen. Op deze manier ontstaan steeds meer ribbels achter elkaar en krijgen wij de mooie golfpatronen in het zand. Deze patronen zijn trouwens niet alleen op het strand zichtbaar: in woestijnen neemt wind de rol van het water over en ontstaan ook ribbels in het zand.’

Niet alleen de ribbels, ook hele duinen ontstaan op deze manier. Boven land is wind één van de voornaamste transportmiddelen van zand. Zoals de golven aan de kust de ribbeltjes op het strand maken, zo maakt de wind ook duinen. En niet alleen dat: ook kunnen duinen zich met behulp van dit mechanisme verplaatsen. De duin fungeert als een obstakel voor nieuw zand, dat over de top geblazen wordt en aan de windluwe kant afgezet wordt.

(Dit is een bewerking van een tekst die eerder gepubliceerd is geweest in de rubriek De Kwestie van het Leidsch Dagblad.)

‘Dank voor de mooie kousen,’ zei John’s moeder tegen hem, ‘maar waarom heb je zulke fel rode uitgekozen?’ John Dalton was ervan overtuigd dat hij blauwe sokken had gekocht. Naast kleurenblind was hij ook natuurkundige. Hij werd de eerste die wetenschappelijk onderzoek naar kleurenblindheid deed, in 1794, dat sindsdien ook wel Daltonisme wordt genoemd.

Iedereen die geen last van die erfelijke aandoening heeft, ziet de lichtgroene bladeren aan de bomen in de loop van de zomer steeds donkerder groen worden. Waardoor ontstaat die kleurverandering? Professor Huub Linthorst van het Biologie Instituut van Leiden legde me eens uit: ‘Het groen dat we zien is chlorofyl, een bladkleurstof. Dat zit in chloroplasten, de zogenaamde bladgroenkorrels. Chlorofyl zet licht om in chemische energie, waarmee de plant suikers maakt uit water en CO2. Dat proces heet fotosynthese. Als in de lente het nieuwe blad aan de bomen komt, bevatten de bladcellen nog weinig bladgroenkorrels. Naarmate de cellen zich verder ontwikkelen, worden er meer chloroplasten gemaakt.’ Dus meer bladgroenkorrels betekent meer groen? ‘Dat is nog niet het hele verhaal, want de hoeveelheid chlorofyl per chloroplast neemt ook nog eens toe. Zo wordt het blad dus donkerder groen.’

(Fotosynthese is een proces dat voor de plant van levensbelang is. Bijna alle leven op aarde is er van afhankelijk. Het was de 18e eeuwse Nederlandse arts en bioloog Johannes Ingenhousz, die onder andere in Leiden had gestudeerd, die ontdekte dat er licht nodig was voor fotosynthese. Hij kreeg door dat fotosynthese pas begon te werken als de zon opkwam, en stopte bij zonsondergang.)

Na de zomer komt de herfst; hoe zit het dan met de kleurverandering? Linthorst: ‘De cellen produceren naast het bladgroen ook nog allerlei chemische verbindingen die ophopen in de vacuole, een blaasje. Die verbindingen zijn vaak rood/bruin gekleurd. Deze geven hun kleur aan het herfstblad nadat daarin het groene chlorofyl is afgebroken.’

(Dit is een bewerking van een tekst die eerder gepubliceerd is geweest in de rubriek De Kwestie van het Leidsch Dagblad.)

Je zou bijna concluderen dat we steeds meer op computers willen lijken, als je denkt aan het woord ‘multitasken’. Immers, het is een term die in de jaren zeventig van de vorige eeuw voor het eerst gebruikt werd om op een computer meerdere taken tegelijk uit te voeren, terwijl het tegenwoordig bijna synoniem is voor tegelijkertijd computerende, bellende en huiswerk makende jongeren. Vrouwen zouden dit multitasken beter beheersen dan mannen. Neuropsycholoog Caroline Jurgens concentreerde zich op één taak toen ik het haar vroeg, namelijk het beantwoorden van de vraag of die stelling klopt. ‘Bij multitasken worden meerdere dingen tegelijk gedaan en moet dus de aandacht verdeeld worden. Vrouwen worden verondersteld beter te kunnen multitasken dan mannen. Is het zo dat vrouwen deze kwaliteiten van nature bezitten of dat dit gedrag verworven is? Een theorie is dat bij de vrouwen de verbinding tussen de twee hersenhelften dikker is bij vrouwen waardoor de hersenhelften beter kunnen samenwerken en zo meerdere taken tegelijk kunnen worden uitgevoerd. Maar het kan ook deels het gevolg zijn van een omgeving waar van een vrouw gevraagd wordt om een huishouden te runnen, verantwoordelijkheden ten aanzien van kinderen te dragen en daarnaast bijvoorbeeld nog een baan buitenshuis te vervullen. Waar evolutionair mannen voor de jacht een goed ruimtelijk gevoel moesten hebben, verzamelden de vrouwen rondom het eigen domein voedsel terwijl tegelijkertijd de kinderen in de gaten gehouden moest worden of gevaar tijdig moest worden ontdekt.’ Betekent dat dat de stelling dat vrouwen beter kunnen multitasken dan mannen wetenschappelijk wordt onderbouwd? Jurgens: ‘Dit zijn theorieën. De verschillen tussen mannen en vrouwen in dit opzicht worden echter niet in alle psychologische experimenten bevestigd.’

Misschien kan het zelf ondergaan van een klassiek geworden experiment van de Amerikaanse psycholoog Ridley Stroop uit 1935 meer helderheid verschaffen. Dat lijkt aan te tonen dat écht multitasken ons niet gegeven is. Het benoemen van kleuren van woorden die in een andere kleur getoond worden verloopt zeer traag: lezen gaat vóór benoemen. Doe vooral zelf de Stroop-test eens, voor een kleurrijk resultaat.

(De tekst van dit blog is eerder gepubliceerd geweest in de rubriek De Kwestie van het Leidsch Dagblad.)

In Groot-Brittannië is enkele jaren geleden een wegenkaart verschenen met het zuiden aan de bovenkant en het noorden aan de onderkant. Onze wereld ondersteboven dus. Als doelgroep voor deze kaart werd voornamelijk aan vrouwen gedacht, vanwege de aanname dat vrouwen een minder sterk ruimtelijk inzicht hebben dan mannen. Ik vroeg eens aan neuropsycholoog Caroline Jurgens wat zij van deze aanname vond. ‘Naast verschillen in fysieke kenmerken tussen mannen en vrouwen zijn er ook verschillen in gedrag. Meerdere psychologische experimenten hebben laten zien dat vrouwen beter presteren op verbale taken en geheugenopdrachten, terwijl mannen beter presteren op ruimtelijke taken. Mannen zouden daarom beter zijn in het vinden van de weg en het lezen van een routekaart, terwijl vrouwen op die route beter punten onthouden die langs de route zijn gepasseerd.’ Dat onderschrijft de stelling dus. De vraag is nu: hoe komt dat? Jurgens: ‘Een deel van de verschillen in gedrag tussen mannen en vrouwen is te verklaren vanuit een verschil in hersenontwikkeling. Een andere bouw van de hersenen zou komen door verschil in hormonale invloeden in mannen en vrouwen. Zo zou de rechter hersenhelft van mannen meer gespecialiseerd zijn, en juist daar liggen de ruimtelijke capaciteiten.’ Gaat het hier dan alleen om nature en niet om nurture? Jurgens vervolgt: ‘Niet alleen. Er zijn ook argumenten voor de opvatting dat omgevingsinvloeden aan de ‘specialiteiten’ van mannen en vrouwen bijdragen. Jongens krijgen vaker blokken om mee te spelen dan meisjes en zouden zo beter hun ruimtelijk inzicht kunnen ontwikkelen. Tevens wordt vanuit evolutionair oogpunt aangevoerd dat mannen van oorsprong jagers zijn en in die hoedanigheid een goed oriëntatiegevoel moesten hebben om zich te kunnen voortbewegen tijdens de jacht.’ De populaire kreet ‘Mannen komen van Mars, vrouwen van Venus’ krijgt met de uitleg van Jurgens een stevige voedingsbodem. Het zijn overigens geen moderne schrijvers, die deze metafoor hebben bedacht; deze kreet heeft een wetenschappelijke achtergrond. Niemand minder dan Linnaeus, die in 1735 zijn Systema Naturae in Leiden publiceerde, is hiervoor verantwoordelijk. Linnaeus, beroemd om zijn soortenindeling, deelde de mens in bij de zoogdieren, wat een breuk was met het idee dat de mens een geheel op zichzelf staand wezen was. Hij was het, die de symbolen van Mars (♂) en Venus (♀) introduceerde als die voor man en vrouw.

(De tekst van dit blog is eerder gepubliceerd geweest in de rubriek De Kwestie van het Leidsch Dagblad.)

‘Dank voor de mooie kousen,’ zei John’s moeder tegen hem, ‘maar waarom heb je zulke fel rode uitgekozen?’ John Dalton was ervan overtuigd dat hij blauwe sokken had gekocht. Naast kleurenblind was hij ook natuurkundige. Hij werd de eerste die wetenschappelijk onderzoek naar kleurenblindheid deed, in 1794, dat sindsdien ook wel Daltonisme wordt genoemd.

Iedereen die geen last van die erfelijke aandoening heeft, ziet de lichtgroene bladeren aan de bomen in de loop van de zomer steeds donkerder groen worden. Waardoor ontstaat die kleurverandering? Professor Huub Linthorst van het Biologie Instituut van Leiden legt uit: ‘Het groen dat we zien is chlorofyl, een bladkleurstof. Dat zit in chloroplasten, de zogenaamde bladgroenkorrels. Chlorofyl zet licht om in chemische energie, waarmee de plant suikers maakt uit water en CO2. Dat proces heet fotosynthese. Als in de lente het nieuwe blad aan de bomen komt, bevatten de bladcellen nog weinig bladgroenkorrels. Naarmate de cellen zich verder ontwikkelen, worden er meer chloroplasten gemaakt.’ Dus meer bladgroenkorrels betekent meer groen? ‘Dat is nog niet het hele verhaal, want de hoeveelheid chlorofyl per chloroplast neemt ook nog eens toe. Zo wordt het blad dus donkerder groen.’ (Fotosynthese is een proces dat voor de plant van levensbelang is. Bijna alle leven op aarde is er van afhankelijk. Het was de 18e eeuwse Nederlandse arts en bioloog Johannes Ingenhousz, die onder andere in Leiden had gestudeerd, die ontdekte dat er licht nodig was voor fotosynthese. Hij kreeg door dat fotosynthese pas begon te werken als de zon opkwam, en stopte bij zonsondergang.)

Na de zomer komt de herfst; hoe zit het dan met de kleurverandering? Linthorst: ‘De cellen produceren naast het bladgroen ook nog allerlei chemische verbindingen die ophopen in de vacuole, een blaasje. Die verbindingen zijn vaak rood/bruin gekleurd. Deze geven hun kleur aan het herfstblad nadat daarin het groene chlorofyl is afgebroken.’

(De tekst van dit blog is eerder gepubliceerd geweest in de rubriek De Kwestie van het Leidsch Dagblad.)

Is het binnen, met de thermostaat op 20° Celsius, twee keer zo warm als buiten, wanneer het daar 10 graden is? En is 22 graden 10% warmer dan 20 graden? Anders gezegd: kan je warmte ‘bij elkaar optellen’? Het klinkt misschien verrassend, maar dat kan. Alleen is het wel afhankelijk van welke temperatuurschaal je daarbij gebruikt.

Hoewel wij in Nederland in ons dagelijkse leven de temperatuur uitdrukken in Celsius, is de wetenschappelijk gehanteerde temperatuurschaal die van Kelvin. Kelvin (K) is een SI eenheid, oftewel een afspraak volgens het Système International. Het absolute nulpunt is 0 K; alle moleculaire beweging is bij deze laagst theoretische temperatuur gestopt. Hierboven bewegen moleculen in meer of mindere mate; des te warmer, des te meer beweging. Elke K vertegenwoordigt een bepaalde mate van moleculaire bewegingsenergie, thermische energie genoemd. Het gevolg hiervan is, dat verschillen in deze thermische energie gelijk staan aan verschillen in temperatuur. Met andere woorden: als de temperatuur twee keer zo hoog is, is er ook twee keer zoveel thermische energie aanwezig. Dat gaat echter alleen op wanneer we de schaal van Kelvin gebruiken. Dus: 20 K is inderdaad twee keer zo warm als 10 K. Overigens is dat naar menselijke maatstaven best koud, want 20 K staat gelijk aan -253,15° Celsius.

Het beroemde absolute nulpunt is precies een eeuw geleden in Leiden benaderd. Professor Heike Kamerlingh Onnes bereikte met het vloeibaar maken van helium een temperatuur die minder dan 1° Celsius verwijderd was van 0 K, oftewel -273,15° Celsius. Deze Leidse geleerde ontving er later de Nobelprijs voor.

Desondanks hanteren wij in ons dagelijks leven de schaal van Celsius. Het voordeel van deze schaalverdeling is het handzame gebruik. 10° Celsius is in het gebruik nu eenmaal wat gemakkelijker dan 283 K (wat afgerond dezelfde temperatuur vertegenwoordigt). Verder zijn wij er natuurlijk zeer aan gewend geraakt. De Celsiusschaal is overigens niet toevallig gekozen: de temperatuur waarbij water bevriest is 0° Celsius, en de temperatuur waarbij water verdampt is 100° Celsius (bij een luchtdruk van 1 bar). Alles hiertussen is verdeeld in honderd gelijke stukjes. Overigens had de Zweedse astronoom Anders Celsius zijn ijkpunten oorspronkelijk, inderdaad, anders opgesteld: 100° als vriespunt en 0° als kookpunt. Wetenschappers die hem opvolgden hebben dat later omgekeerd.

(Dit stuk is eerder gepubliceerd geweest in het Leidsch Dagblad in de rubriek ‘De Kwestie’.)

De vraag of nul een getal is, lijkt op het eerste gezicht misschien te gaan over niets. Maar de Hoogleraar Wiskunde aan de Leidse Universiteit, de heer Hendrik Lenstra, liet in een lezing die ik eens volgde zien dat de hele wiskunde is gebaseerd op het getal nul. ‘Of het getal nul wordt gerekend tot de natuurlijke getallen, is afhankelijk van je opvoeding’, meldde Henstra in zijn uitleg over getallenleer. Zijn verhaal kwam erop neer, dat elke nieuwe stap in de wiskunde een stevig fundament nodig heeft, en dat fundament wordt sinds de 19e eeuw gevonden in de verzamelingenleer, waarin het getal nul de basis vormt. ‘De hele wiskunde is dus gebaseerd op niets’, grapte Henstra. Preciezer geformuleerd, vormt de zogenaamde ‘lege verzameling’ het fundament der fundamenten, en dat is, inderdaad, een verzameling waar niets in zit.

Over de vraag aan de heer Henstra, hoe de wereld er uit zou zien zonder het getal nul, moest hij even nadenken. ‘Dan moeten we denken aan de oude Grieken en Romeinen: wat hadden zij niet, dat wij wel hebben?’ Hoewel het antwoord op deze vraag niet makkelijk te geven is, is wel te verklaren waar de overweging van Henstra vandaan komt. Immers, het getal nul heeft niet altijd een bestaan gehad in de geest van de mens, het is door de Babyloniërs als eerste bedacht, enkele honderden jaren voor Christus. Ze gebruikten het eigenlijk alleen nog als scheidingsteken, om onderscheid te kunnen maken tussen bijvoorbeeld 61 en 3601 en 36001 (de Babyloniërs hanteerden een zestigtallig stelsel, waarin de verschillen tussen getallen die in het spijkerschrift op dezelfde manier genoteerd werden, moest worden gehaald uit de context).

Onze latere nul, die als eerste in India een volwaardig getal werd, heeft hier een allesbepalende rol in gespeeld, maar het heeft de geschiedenis toch nogal wat moeite gekost om dat kleine rondje naar onze tijd te loodsen: zowel de oude Grieken als de vroeg middeleeuwse christelijke kerk waren bang voor de nul, en ontkenden zijn bestaan. De reden hiervoor was, dat Aristoteles een wereld had geschetst als middelpunt van een eindige kosmos, bestuurd door God. En dat ging niet samen met de nul, die hand in hand gaat met de oneindigheid.

Gezien de rijke historie van dit ons zo vertrouwde element moet geconcludeerd worden: het is niet niets, die nul; het is een getal, en meer dan dat.

(Dit stuk is eerder gepubliceerd geweest in het Leidsch Dagblad in de rubriek ‘De Kwestie’.)

Waarom hebben mensen twee neusgaten? En niet één? Of drie? Is dat iets evolutionairs? Ik had de vraag het liefst voorgelegd aan de grote man achter de evolutietheorie zelf, vooral omdat hij vanwege de vorm van zijn neus bijna geweigerd werd aan boord van de Beagle. Kapitein Robert Fitz-Roy was van mening dat je aan de vorm van iemands neus zijn karakter kon aflezen, en dat van de jonge bioloog Charles Darwin stond hem in eerste instantie niet aan. Gelukkig kwam hij tijdig tot inkeer, waarna de Britse onderzoeker aan zijn later zo geroemde onderzoeksreis kon beginnen.

Ik blijf iets dichter bij huis, en legde de vraag voor aan de Leidse paleoantropoloog Paul Storm. Zijn reactie: ‘Waarom hebben mensen twee neusgaten? Leuke vraag, die je volgens mij breder moet trekken. Hoe zit het in de dierenwereld? Niet alleen mensen hebben twee neusgaten maar alle gewervelde dieren – vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren. Bij gewervelde dieren is er sprake van bilaterale symmetrie, dat wil zeggen: je kan ze één keer spiegelen. Er is niet alleen sprake van twee neusgaten maar ook van twee ogen, oren, armen, benen, nieren, enzovoort. Vanuit een evolutionair standpunt gezien gaat de oorsprong van twee neusgaten dus heel ver terug in de tijd en is niet typisch menselijk.’

Wat het evolutionaire voordeel is van twee neusgaten, is hierdoor overigens nog niet verklaard. Een aspect van de bilaterale symmetrie van bijvoorbeeld ogen en oren is dat hierdoor beweging, diepte en afstand te onderscheiden zijn. Amerikaanse psychologen die onderzoek hebben gedaan naar geurwaarneming, beweren dat ook hier richtingaanduiding een rol speelt. Proefpersonen konden onderscheid maken tussen geuren die toegediend waren in het ene of in het andere neusgat.

Verder heeft de neus nog twee belangrijke specifieke functies, die een groot oppervlak vereisen: lucht verwarmen en filteren. Des te groter het oppervlak van de binnenkant van de neus, des te beter kan de ingeademde lucht verwarmd worden, via de oppervlakkige bloedvaten. De longen kunnen beter met warme dan met koude lucht overweg. Tenslotte filteren de haartjes in de neus stofdeeltjes en vuil uit de lucht; ook dat kan beter met meer haartjes op een groter oppervlak.

Charles Darwin krijgt de postume eer om dit stukje af te sluiten. Hij schreef later in één van zijn brieven over de twijfel van kapitein Fitz-Roy over zijn neus: ‘I think he was afterwards well-satisfied that my nose had spoken falsely.’

(Dit stuk is eerder gepubliceerd geweest in het Leidsch Dagblad in de rubriek De Kwestie.)

De ontknoping van een romantische film, een emotioneel uitgesproken speech – ieder mens heeft zijn eigen brok-in-de-keel momenten. De vraag waardoor dat gevoel nou precies veroorzaakt wordt, legde ik eens voor aan dokter Dennis Kox, KNO-arts i.o. van het LUMC. ‘Een brokgevoel in de keel, dat in medische termen een globus wordt genoemd, komt vaak voor’, aldus Kox. ‘Veel patiënten zijn hierover ongerust, maar over het algemeen is het een onschuldig probleem.’ Ik doel met mijn vraag vooral op die laatste categorie, maar dokter Kox maakt duidelijk dat er in sommige gevallen ook lichamelijke oorzaken aan ten grondslag liggen. ‘Soms komen de klachten samen voor met een slijmprop in de keel die niet weggeslikt kan worden of een gevoel dat er een graatje in de keel zit. Het brokgevoel zit meestal ter hoogte van het strottenhoofd, waardoor de neiging ontstaat steeds te schrapen met de keel, te kuchen of vaak te slikken.’ Het gevoel dat er iets dwars zit – de spreekwoordelijke brok dus – heeft in de onschuldige gevallen alles te maken met spierspanning. De halsspieren trekken tijdens het slikken het strottenhoofd naar boven; iets wat duidelijk te zien is aan de bewegingen van de adamsappel, het voorste deel van dat strottenhoofd. Bij een te hoge spierspanning blijft het strottenhoofd iets steken, daalt niet meer naar de normale ruststand. Dit ervaart men als het brok-in-de-keel gevoel. Hieruit wordt ook duidelijk op welke manier emotionele momenten dit gevoel kunnen veroorzaken. Immers, emotie speelt zich niet alleen af in de hersenen, maar heeft ook zijn weerslag op onze gezichtsuitdrukking, lichaamshouding, en spierspanning. Je kunt het brok-in-de-keel gevoel zelfs eenvoudig bij jezelf oproepen, simpelweg door het lezen van de volgende drie zinnen. Je slikt per dag gemiddeld ruim een liter speeksel en neusslijm door, onbewust. Op het moment dat je je hier bewust van bent, gaat dat niet meer ongemerkt. De kans is groot dat je door dat bewustzijn een brok in de keel krijgt, of in elk geval duidelijk merkbaar iets weg moet slikken.

Dokter Kox resumeert: ‘We spreken van een brokgevoel of globus als er geen lichamelijke afwijking gevonden wordt.’ Uiteraard krijgt een dokter veel te maken met mensen waar wel iets lichamelijks aan de hand kan zijn. Zijn advies: ‘Bij twijfel altijd de huisarts raadplegen. Hij of zij zal dan bepalen of het nodig is u door te verwijzen naar een specialist.’

(Dit stuk is eerder gepubliceerd geweest in het Leidsch Dagblad in de rubriek De Kwestie.)

Bloembol‘Dat stereotype beeld van Holland met zijn molens, tulpen en klompen is maar onzin hoor,’ zei ik eens tegen een Canadese vriend die ons landje met zijn bezoek kwam vereren. De treinrit naar Amsterdam langs de velden met bloembollen bewees ondubbelzinnig mijn ongelijk: de bollenvelden kleurden fel in de voorjaarszon, molens zwaaiden ons toe. Dat van die klompen kon ik nog weerleggen. Totdat we op het Centraal Station van Amsterdam tegen een hoempapa-bandje opliepen, waarvan de leden allemaal wooden shoes droegen. Het clichébeeld van Holland zal nooit meer van zijn netvlies verdwijnen.

De tulpen, narcissen, hyacinten en krokussen waren lang onzichtbaar geweest, maar nu toonden ze zich plotseling aan iedereen die het zien wilde. Hoe wisten ze dat het lente was? Die vraag weet Huub Linthorst, Universitair Hoofddocent van het Instituut Biologie Leiden, te beantwoorden: ‘Voor sommige plantensoorten, zoals sla en selderij, is de hoeveelheid licht bepalend om de zaadontkieming op gang te brengen. Andere zaden ontkiemen pas nadat ze een periode van kou hebben gehad. Dat laatste geldt ook voor planten die als bollen en knollen in de grond overwinteren om in het voorjaar weer uit te lopen. Denk aan krokussen en narcissen, maar ook aan uien en aardappels. Aan het eind van het groeiseizoen wordt er in de bol een toenemende hoeveelheid van het plantenhormoon abscisinezuur (ABA) aangemaakt. Naarmate het niveau aan ABA stijgt, verlopen andere processen in de plant steeds langzamer, totdat de groei stil valt en de plant in winterslaap gaat. Door de lage temperatuur in de wintermaanden worden de enzymen die ABA synthetiseren geïnactiveerd, waardoor de aanmaak van ABA stopt. Doordat het hormoon tijdens de winterslaap ook nog eens spontaan afbreekt, neemt het ABA niveau langzaam af. Als het niveau voldoende laag is, komt de bol weer tot “leven” en gaat uitlopen. Het is niet toevallig als de winter dan voorbij is.’

Overigens komt het bekendste bolgewas, de tulp, oorspronkelijk uit Turkije. De naam komt van ‘tulipan’, wat tulband betekent; Ottomaanse sultans droegen een tulp op hun tulband als symbool. De Nederlandse tulpenroem is via Leiden gegaan, waar botanicus Carolus Clusius in 1593 de eerste Turkse bollen cadeau kreeg en vervolgens plantte in de Hortus Botanicus. In de daarop volgende decennia werd de tulp in Nederland zo populair, dat ze midden in de Gouden Eeuw een ware economische crisis veroorzaakte. Tulpen werden verhandeld, vaak nog voor ze geplant waren, voor steeds hogere bedragen. Speculanten maakten enorme winsten. Het meest extreme bedrag dat betaald werd voor één tulpenbol was net zo hoog als de prijs van een Amsterdams grachtenpand. Dat kon niet lang goed gaan, en na zeven vette jaren stortte de tulpenhandel als een kaartenhuis in. Meer hierover is te lezen in mijn boek Tien verdwenen dagen.

WatermoleculenHoe komt het dat  water bij bevriezing uitzet, terwijl alle andere vloeistoffen krimpen bij stolling? Bij de Universiteit van Leiden weet studentambassadeur Natuurkunde Johannes Simon het antwoord: ‘Water zet inderdaad uit, wanneer het vast wordt. Dit heeft te maken met de structuur van het watermolecuul. Water bestaat uit een zuurstofatoom, waaraan twee waterstofatomen gebonden zijn.’ (Dit werd overigens voor het eerst aangetoond in 1784 door Henry Cavendish, die met behulp van een Leidse fles water wist te maken uit de gassen waterstof en zuurstof.) Simon vervolgt: ’In bijgaand plaatje zijn deze atomen schematisch weergegeven door respectievelijk één rode en twee blauwe bollen. In dit molecuul trekken zuurstofatomen negatieve lading naar zich toe en de waterstofatomen blijven met een positieve lading over. Positieve en negatieve ladingen trekken elkaar aan, terwijl twee gelijksoortig geladen deeltjes elkaar afstoten. Om die reden proberen de zuurstofatomen van verschillende watermoleculen zo dicht mogelijk tegen de waterstofatomen te zitten, terwijl deze zuurstofatomen een juist zo groot mogelijke afstand van andere zuurstofatomen willen houden. Bevriezing
Er speelt bij water in vloeibare vorm echter nog een andere kracht een rol, en dat is de beweging van de moleculen. Die beweging zorgt ervoor dat de atomen dichter bij elkaar kunnen komen; in zekere zin overstemt deze beweging de afstotende krachten tussen de gelijksoortige atomen.’

En wat gebeurt er nu met de moleculen wanneer het water bevriest? Simon vervolgt: ‘Wanneer het water afkoelt, gaan de moleculen steeds minder bewegen. Hierdoor neemt het effect van de afstotende en aantrekkende krachten tussen de atomen toe. De moleculen gaan zich spontaan ordenen – beschouw het als een soort legpuzzel! Er ontstaan zeshoekige patronen, met in het midden lege ruimtes. Die ordening met lege ruimtes zorgt ervoor dat ijs meer ruimte inneemt dan water. Pas als het ijs ontdooit, kunnen die ruimtes weer gevuld worden en neemt het water in volume af.’

NiezenGelukkig behoren mensen als de Britse Donna Griffiths en Michael Hippisley tot de uitzonderingen: Griffiths niesde als twaalfjarig meisje 977 dagen achter elkaar, en de veertienjarige Hippisley zou tijdens een aanval 1.200 keer in een uur hebben geniesd.

Wat is niezen eigenlijk? Wat voor functie niezen heeft, en waarom sommigen mensen tegen de zon inkijken als ze willen niezen, legt huisarts en epidemioloog Dr. Just Eekhof van het LUMC uit: ‘Niezen is een krachtige uitademing vanuit de longen, die meestal veroorzaakt wordt door prikkelende stoffen die irritatie geven aan het slijmvlies in de neus. Het is een reflexmechanisme, gericht op verwijdering van die prikkelende stoffen.’ Eekhof licht toe hoe dat in zijn werk gaat: ‘De irritatie leidt tot het vrijkomen van histamine (een neurotransmitter die voor signaaloverdracht tussen zenuwcellen zorgt). Hierdoor wordt een signaal afgeven aan de hersenen, die op hun beurt verschillende spieren aansturen om een niesreactie te starten. Het directe gevolg van het niezen is de verwijdering van de stoffen die de prikkeling hebben veroorzaakt. Dat is dan ook de functie van deze reflex.’ De mens blijkt in staat om hoge snelheden te bereiken, want de lucht kan met meer dan 150 kilometer per uur worden uitgestoten.

‘Het meest bekend is niezen als gevolg van een allergie’, vervolgt Eekhof, ‘zoals bij hooikoorts of allergie voor huisstof. Ook chemische stoffen, zoals ammoniak, kunnen een niesreflex opwekken. Wanneer mensen verkouden zijn is het neusslijmvlies gevoeliger en kan een geringe prikkel al een niesreflex geven. Bij verkouden mensen leidt niezen dus ook tot een verspreiding van de virussen en bacteriën die zich in de neus bevinden.’ De goede gewoonte om bij niezen of hoesten een hand de neus en mond te houden is dus meer dan een beleefdheidsvorm.

Waarom kijk je tegen het licht in wanneer je wilt niezen?  Eekhof: ‘Wanneer iemand aan voelt komen dat hij moet gaan niezen, helpt het bij ongeveer 1 op de 8 mensen om tegen het licht in te kijken. Het opwekken van de niesreflex werkt dan niet zoals hierboven beschreven. Niezen door tegen het licht in te kijken wordt toegeschreven aan een complex mechanisme waarbij gezichtszenuwen, oogbewegingzenuwen, gelaatszenuwen, het autonoom zenuwstelsel en de hersenstam betrokken zijn.’

Er zijn, volgens Eekhof, nog andere aanleidingen mogelijk dan stof of licht: ‘Ook zou niezen bij sommige mensen vaker voorkomen door het bereiken van een orgasme, door het denken aan sex of bij een volle maag.’ De Britse chirurg M.F. Bhutta en psychiater H. Maxwell hebben hier onderzoek naar gedaan, en vermoeden dat dit fenomeen vaker voorkomt dan gedacht. Maxwell was op een man gestuit die elke keer moest niezen wanneer hij aan sex dacht, en is daar vervolgens onderzoek naar gaan doen. De onderlinge samenhang tussen processen in het parasympathische zenuwstelsel zou hier een rol in spelen; hoe, dat is nog niet exact duidelijk.

Wat bij Griffiths en Hippisley de oorzaak van hun extreme niesbuien waren, is niet bekend gemaakt.

GriepElk jaar krijgen ongeveer 80.000 mensen in ons land griep. Voor de meesten blijft het bij een onschuldige week in bed. Maar, een griepepidemie eist gemiddeld duizend tot tweeduizend doden, vooral in de risicogroepen: ouderen, hart-, astma, nier en diabetespatiënten en anderen met een verminderde weerstand. Vooral dat laatste doet de vraag rijzen of de inname van vitamines helpt om de griep buiten de deur te houden. Dr. J.A.H. Eekhof, huisarts-epidemioloog van het LUMC, beantwoordt deze vraag. ‘Griep is het gevolg van een virusinfectie. Er zijn duizenden virussen die verkoudheden, luchtweginfecties, darminfecties enzovoort kunnen veroorzaken. De echte griep of influenza wordt veroorzaakt door het influenzavirus. Bij vitamines ten behoeve van mogelijke voorkoming van griep of verkoudheden hebben we het vooral over vitamine C. Over het effect van andere vitamines is eigenlijk te weinig bekend om daar iets zinvols over te zeggen. Naar het effect van vitamine C ter voorkoming en bestrijding van klachten als gevolg van virusinfecties is wel veel onderzoek gedaan. De uitkomst daarvan is dat het nemen van extra vitamine C niet helpt om griep te voorkomen.’ Eekhof duidt hier op extra vitamines, in de vorm van preparaten, zo wordt duidelijk uit zijn vervolg: ‘Het is echter wel van belang om te zorgen dat de dagelijkse maaltijden voldoende vitamines bevatten. Goede gevarieerde voeding, voldoende beweging en geestelijke ontspanning helpen de weerstand op peil te houden. Een tekort aan vitamines vergroot de kans op virusinfecties. Wanneer je zorgt dat je dagelijkse voeding voldoende vitamines bevat is het nemen van extra vitamines niet zinvol.’

Is er iets anders dat de mensen uit de risicogroep kunnen doen ter voorkoming of bestrijding van griep of een virusinfectie? Eekhof: ‘Voor mensen met een verhoogd risico is vaccinatie zeer zinvol. De griepprik verkleint bij deze kwetsbare mensen de kans op een ernstig beloop van de griep en de kans op complicaties. Overigens is bij een gevaccineerde patiënt de kans op influenza kleiner, maar niet uitgesloten. Ook beschermt de vaccinatie alleen tegen de influenzavirussen die in het vaccin zijn opgenomen en niet tegen alle andere virussen die vergelijkbare klachten kunnen veroorzaken.’ Dat laatste komt, doordat de Wereldgezondheidsorganisatie elk jaar een vaccin ontwikkelt op basis van de verwachtingen over welke virusvarianten actief zullen worden. Doordat deze varianten vaak mutaties zijn van griepvirussen van het jaar daarvoor, is men in staat de kans op nieuwe infecties te verkleinen, maar duidelijk is dat deze zo niet geheel zijn uit te sluiten.

VerkoudenEen vraag die telkens weer de koude kop op steekt in de winter , is die over ‘kou vatten’. Wat is het eigenlijk, en kun je erdoor verkouden worden? Als je de moeders moet geloven die hun kinderen manen om bij het naar buiten gaan altijd hun jas aan te doen, zou je aannemen van wel. Ik legde de vraag voor aan huisarts De Jongh, docent in het LUMC. ‘Kou vatten is een lastig begrip’ vertelt dokter De Jongh. ‘Verkouden zijn komt door een virusinfectie van de neus en bovenste luchtwegen. Je wordt verkouden doordat andere mensen je aansteken, meestal door hoesten en kuchen. Dat heeft echter niet te maken met kou vatten, want het is onafhankelijk van de temperatuur buiten.’

De kou lijkt hiermee uit de lucht: een losse jas maakt je dus niet ziek. Integendeel, zoals blijkt uit de verdere uitleg van De Jongh. ‘Sterker nog, als je alleen buiten wandelt kan niemand je aansteken en word je ook niet verkouden. In de winter zitten mensen echter gezellig binnen, waar de temperatuur vrij hoog is en de lucht droog, hierdoor gedijen de virussen goed. Je loopt dus aanzienlijk meer kans om verkouden te worden wanneer je gezellig met zijn allen rond de tafel een kopje thee drinkt, dan wanneer je alleen een boswandeling maakt. Ook het idee dat je longontsteking oploopt als je de kou ingaat en geen das om hebt of onvoldoende gekleed bent, is onjuist. Ook dat is een infectie die je vooral van anderen krijgt. Alleen als je onderkoeld raakt neemt je weerstand zover af dat je een gevaarlijk infectie op kan lopen.’

De term ‘verkoudheid’  neemt ons dus nogal bij de neus, zo blijkt. Dat we toch die term hanteren voor deze infecties, zou te maken kunnen hebben met de hogere frequentie hiervan in de koudere perioden van het jaar. En dat heeft dan weer alles te maken met de uitleg van dokter De Jongh over het binnen zitten – dat doen we nu eenmaal ’s winters meer dan ’s zomers.

De beste manier om de verkoudheid buiten de deur te houden is . . . handen wassen. Volgens de Public Health Agency van Canada, een land waar het behoorlijk koud kan zijn, wordt zo’n 80% van de meest voorkomende infecties overgedragen via de handen. Het is dan ook niet toevallig, dat de directeur van dit instituut, dokter Butler-Jones, in zijn 12 pain-free ways to a healthier life de 1ste plek heeft ingeruimd voor Wash Hands.

‘Uitvinders’. Laat deze term in je hoofd rondzoemen en je ziet peinzende mannen voor je, zonderlingen, met bril, stofjas, haar in de war en een verwilderde blik in de ogen, piekerend over een nog nooit eerder bedacht apparaat dat de wereld gaat veranderen. Terwijl 83% van de uitvindingen gedaan wordt door mensen zonder bril of stofjas, waarvan bovendien 37% vrouw is. Uitvinders zijn namelijk vooral gewone mensen, mensen zoals jij en ik. Ga maar na: die percentages in de vorige zin heb ik net zelf uitgevonden. Nou ja, verzonnen, ook goed. Het gaat om het idee. In dit geval ben ik dus de uitvinder van een gedachte.

De uitvindingen zelf dan, laten we daar eens naar kijken. In tegenstelling tot wat je misschien zou verwachten (‘uitvindingen zijn heel bijzonder, die kom je dan ook maar weinig tegen’) zit ons dagelijks leven er vol mee. De computer waarop ik dit zit te typen: in zijn oervorm een uitvinding van Charles Babbage uit 1822. De bril die ik eigenlijk op zou moeten zetten om de letters (ook een uitvinding, van Soemeriërs, zo’n zesduizend jaar geleden) op mijn kleine beeldscherm goed te kunnen lezen: een uitvinding van de Romeinse keizer Nero. De trein waarin ik mezelf naar Amsterdam laat brengen: (deels) een uitvinding van George Stephenson uit 1814. De rolkoffer van de passagier naast me: uitgevonden door een anonieme medewerker van een helemaal niet spannende kofferfabrikant. Kijk zelf maar eens om je heen, gewoon op de plek waar je je nu bevindt. Vrijwel alles wat je ziet kan je als uitvinding bestempelen. Er is meer wél uitgevonden dan niet.

Tja, zo bekeken dreigt het terrein van uitvindingen bijna saai te worden. Medicijnen zijn weliswaar uitgevonden door scheikundigen (je ziet nu weer die bebrilde mannen in een stofjas voor je), maar stoeptegels, paraplu’s en aardappelschilmesjes behoren toch tot de categorie ja-dat-had-ik-ook-kunnen-verzinnen. Net zoals 92% van alle uitvindingen, zoals je nu begrijpt. Die weer zijn onder te verdelen in de categorieën wereldveranderend (wiel, telefoon), bedacht-om-geld-te-verdienen (teenslippers, pindakaas met stukjes noot) en een combinatie van die twee (antibiotica).

Bij het doen van een uitvinding moet je je vooral niet laten beperken door mogelijke belemmeringen. (Daar heb je de rest van je leven nog voldoende tijd voor.) Mensen die dat goed kunnen heten kinderen. In de Uitvindfabriek, een tijdelijke tentoonstelling van Nemo, zijn daar goede bewijsstukken van te zien. Die zitten echt niet allemaal in de categorie nutteloos-maar-toch-leuk. Integendeel. Zo kun je er een voicemailsysteem voor bij de deurbel zien, uitgevonden door Hamed Abdollah (9 jaar). Daarmee kun je altijd horen wie er vergeefs bij je heeft aangebeld. Ook fijn voor als je niet open wilt doen voor tante Toos. Zoiets zie ik nog wel eens in productie komen. Of anders wel de schommel die energie opwekt, van Douwe Komdeur (9). Naar mijn mening een voorbeeld van een topuitvinding, want simpel, nuttig en categorie had-ik-dat-maar-bedacht. De fijnste categorie, maar tegelijkertijd ook van de meest nagelbijtende frustratie.

Als uitsmijter de uitvinding van Noor, leeftijd onbekend: de Uitvindmachine. ‘Na [inworp van] € 1,- krijg je een idee om iets uit te vinden.’ Een uitvinding van escheriaanse duizelingwekkende schoonheid, als je het mij vraagt.

Lees over de uitvinding van wereldkaarten, kalenders, tijdsaanduiding, de nulmeridiaan, de datumlijn, de meter, het metrieke stelsel, cijfers en geld het boek Tien Verdwenen Dagen – over de menselijke maat achter ons wereldbeeld.

Waardoor is de windrichting bij ons meestal zuidwest?

‘Herfst’ staat voor vallende bladeren, regen, en wind. En meestal veel van dit alles. De windrichting is meestal zuidwest, zo zegt ons collectief geheugen. Klopt dat ook? Een blik op enkele weerstatistieken, leert ons of dit beeld ook gestaafd wordt door de feiten.

De website van Meteo Leiden biedt een overzicht van de meest voorkomende windrichtingen ter plekke. We zien hier dat de wind ongeveer 40% van de tijd uit het zuidwestelijk kwadrant komt. Bij het KNMI vinden we een windroos voor Vlissingen, dat dichtbij genoeg ligt om iets te zeggen over de windrichtingen in Leiden en omgeving. Die grafiek laat zien dat in de maand oktober de wind inderdaad het vaakst uit het zuidwesten komt, en daar ook het meest krachtig is.

windrichting

De lengte van de staafjes geeft het procentuele aandeel in de windrichtingen weer. De dikte ervan staat voor de windkracht. (Bron: www.knmi.nl)

Hoe komt het nou, dat de wind die voorkeursrichting heeft? Het antwoord vinden we in twee verschijnselen.

Het eerste element dat ten grondslag ligt aan de windrichting is de opwarming van de aarde door de zon. Die opwarming is zoals bekend op en rond de evenaar het grootst. De verwarmde lucht stijgt hier op, en verplaatst zich vervolgens zuid- en noordwaarts. Rond de 30ste breedtegraad, ter hoogte van Noord-Afrika, daalt de afgekoelde lucht, en zorgt hier voor een hogedrukgordel. Nog verder noordelijk (op ons halfrond) ligt er rond de 60ste breedtegraad (Noord-Europa) een vrijwel permanente lagedrukgordel. Aangezien u zich in Leiden op de 52ste breedtegraad bevindt, en lucht van hoge naar lage drukgebieden stroomt, ervaren wij het zuidelijke effect van dit verschijnsel. Maar: dat verklaart nog niet het westelijke karakter van de luchtverplaatsingen.

Het was de Franse ingenieur Gaspard Gustav de Coriolis, die in 1835 de oorzaak van díe beweging beschreef. Het naar hem genoemde Corioliseffect doet de noord- en zuidwaarts stromende winden afwijken. Dat werkt als volgt: stelt u zich voor, dat u aan de buitenkant van een draaimolen staat. U draait daar sneller dan iemand die verder naar binnen staat. Wanneer u zich nou richting het centrum van de draaiende molen beweegt, neemt uw lichaam die hogere draaisnelheid die het aan de buitenkant meegekregen heeft, als het ware mee naar de langzamer draaiende binnenkant, waardoor uw lichaam de neiging heeft om daar net iets sneller te draaien dan de molen zelf doet. Misschien voelt u dat u bijna omvalt. Op de draaiende wereldbol doet de wind in feite hetzelfde. De noordwaarts stromende wind wijkt op het noordelijk halfrond door dit Corioliseffect af naar rechts, in de draairichting van onze aarde. Dat geeft een zuidenwind dus een westelijke component mee, resulterend in een zuidwestelijke windrichting.

Doordat de praktijk vaak grilliger is dan de theorie, en er ook andere effecten een rol spelen in de windrichting (zoals de temperatuurverschillen tussen zee en land), komen er bij ons ook andere windrichtingen voor dan zuidwest. Desondanks is de zuidwestenwind verklaarbaar het meest voorkomend.

Charles BoothToen Charles Booth, de nieuwe voorzitter van de Royal Statistical Society, zich in de tweede helft van de 19de eeuw in Londen vestigde, schrok hij van de grote verschillen in sociale omstandigheden van de Londenaren. Booth startte zijn eigen sociologisch onderzoek. Hij was waarschijnlijk iemand die niet snel tevreden was, want het duurde achttien jaar voordat hij zijn bevindingen publiceerde in het zeventiendelige Life and Labour of the People in London. Daarin was een kaart opgenomen met de alleszeggende titel Descriptive Map of London Poverty 1889. Booth had rijkelijk kleuren gebruikt, om zijn indeling van de welstandsniveaus in zeven categorieën inzichtelijk te maken. Hij had de eerste demografische kaart gemaakt.

Ik vind drie zaken interessant aan Booth’s innovatie. In de eerste plaats het gegeven van de innovatie zelf, de nieuwe toepassing, als start van de demografie. Demografisch onderzoek wordt tot op de dag van vandaag intensief gebruikt door marketeers, verzekeringsmaatschappijen, kredietverstrekkers en andere beroepsgroepen die een inschatting willen maken van kansen en bedreigingen. In de tweede plaats was de invloed van Booth’s werk opmerkelijk. Dat resulteerde namelijk in de invoering van een staatspensioen in 1908, omdat Booth met zijn werk had aangetoond dat armoede, werkeloosheid, leeftijd en criminaliteit nauw met elkaar verbonden waren.

Het derde aspect dat me opvalt is de beschrijving van de zeven categorieën op de legenda. Enerzijds had die beschrijving ten grondslag gelegen aan de opgedane inzichten, anderzijds zat er een flink stigmatiserend element in. Ik geef ze je voluit, in aflopende volgorde, zodat je zelf kunt zien wat ik bedoel:

Poverty map van Charles Booth

  • Upper-middle and Upper classes. Wealthy.
  • Middle class. Well-to-do.
  • Fairly comfortable. Good ordinary earnings.
  • Mixed. Some comfortable, others poor.
  • Poor. 18S. to 21S. a week for a moderate family.
  • Very poor, casual. Chronic want.
  • Lowest class. Vicious, semi-criminal.

Booth leek met zijn ‘semi-criminal’ nog bijna een voorbehoud te willen maken (‘ik zeg niet dat het allemaal criminelen zijn hoor, die ‘lowest class people’, maar ze zitten er wel heel dicht tegenaan’), maar erg empathisch komt zijn legenda niet over. Ik stel me voor dat zo’n indeling, of een variant daarop, tegenwoordig gebruikt zou worden. Met de toevoeging van nog een karakteristiek, bijvoorbeeld etniciteit, zou je de maatschappelijk en politieke poppen helemaal aan het dansen krijgen.
Maar, zoals gezegd, hervormer Booth bereikte zijn doel, waar op zichzelf niemand iets op tegen had kunnen hebben, want de ‘Old Age Pensions Act’ bleek levensreddend voor miljoenen Britten.

Ik vind dat de Map of Poverty van Booth heel goed het spanningsveld liet zien waar cartografen en de gebruikers van kaarten – u en ik – voor staan. Een kaart laat zien wat de maker wil laten zien. Het resultaat hangt dus net zo sterk af van de bedoelingen van de maker als van de opgenomen gegevens. Een niet te onderschatten element uit het visuele spel is de gebruiker. Soms zijn dat getrainde deskundigen: artsen, militairen, statistici. Maar vaker zijn dat leken: loodgieters, advocaten, schooljuffen en bankemployees, die alleen hun gezonde verstand kunnen inzetten om het bekijken van een kaart tot een goed en ongeschonden einde te brengen. Een klein beetje gezond wantrouwen zou hierbij behulpzaam kunnen zijn, lijkt mij.

Stanley MilgramAls jongvolwassene zag ik tijdens een psychologiecollege eens een opname van een beroemd geworden experiment van psycholoog Stanley Milgram. De beelden en geluiden van het experiment, dat ging over volgzaamheid, kwamen hard aan. Ik werd door dat belangrijke moment in mijn leven (bedankt nog, meneer Veenendaal) zeer terughoudend met de uitspraak ‘ik zou dat nooit zo gedaan hebben’.

De Amerikaanse sociaalpsycholoog Stanley Milgram zette in 1961 een experiment op om te onderzoeken hoe het in de Tweede Wereldoorlog had kunnen gebeuren dat de nazi’s, mensen van vlees en bloed, de afschuwelijke dingen hadden gedaan die ze gedaan hadden. Het experiment bestond hieruit dat hij aan vrijwilligers vertelde dat hij onderzoek deed naar de ontwikkeling van prestaties onder druk van straf. Hij vroeg deze vrijwilligers om te helpen in de vorm van het toedienen van – aanvankelijk kleine – elektrische schokken aan mensen, eveneens vrijwilligers, die een vraag van een vragenlijst verkeerd hadden beantwoord. De verhouding tussen de ‘straffen’ en vervolgens het aantal goede en foute antwoorden zou de wetenschap iets leren over de onderzoeksvraag.
De crux van het onderzoek was echter een geheel andere. Het apparaat waarmee men de schokjes moest toedienen, begon met een nog onschuldig ogende 15 volt op het bedieningspaneel, oplopend per fout gegeven antwoord met telkens 15 volt tot een schrikbarend maximum van 450 volt. Geen zinnig mens zou zo ver gaan, want we hebben het hier over meer dan een mogelijk dodelijk voltage. Uit het stopcontact komt 220 volt en dat is voldoende om een volwassen mens te doden. Onwillekeurig moest ik denken aan het testen van een 9V-batterij – zo’n rechthoekige met twee rondjes – door de twee metalen contactpuntjes even tegen je tong te houden: heel vervelend als er nog spanning op zit.
Dat de schokken niet echt waren wisten deze vrijwilligers niet, en doet ook verder niet ter zake. Dat geldt ook voor het feit dat de ondervraagde in het complot zat. Wat men vooraf ook niet wist, en achteraf de wereld zou schokken, was dat 65 procent van de mensen doorging tot het maximum van 450 volt. Dat is twee op de drie. Wel vaak – niet altijd – in grote gewetensnood, en altijd met goedkeuring van de experimentleider. En daar zat nu juist de sleutel van het onderzoek: deze leider ontsloeg de deelnemer van zijn of haar verantwoordelijkheid door die zelf op zich te nemen, onder het doen van de uitspraak: ‘The experiment requires that you continue’, n de nodige gevallen aangevuld met: ‘I take full responsibility’. De deelnemers, hoewel nog steeds veelal bezwaard, voelden zich hierdoor vooral de uitvoerder en niet de verantwoordelijke, en de meerderheid ging dus verder met hun dodelijke toediening.
Pikant detail is dat de deelnemers de ‘slachtoffers’ vanaf 75 volt hoorden kreunen, en vanaf 115 volt hoorden schreeuwen en gillen na ontvangst van de ‘schok’, zelfs hoorden smeken om te mogen stoppen. Deze mensen waren niet te zien, want ze zaten in een andere kamer. En het werd nóg erger, want na het toedienen van de korte doch hevige schokken met de potentieel dodelijke intensiteit van 315 volt kwam er helemaal geen respons meer uit de belendende kamer. ‘You should perceive no respons as a wrong answer and apply the next level’, zei de experimentleider daarop, waarna meer dan de helft van de vrijwilligers uiteindelijk 450 volt toediende. Het griezelige is dat de deelnemers – die vooraf waren gevraagd hoe ver ze zouden gaan – zich lelijk in hun uiteindelijke gedrag hadden vergist.
Uit de resultaten van dit beruchte experiment blijkt dat je vooraf niet altijd een betrouwbare inschatting kunt maken van je eigen gedrag. Dat het hier om gewone mensen als jou en mij ging is uitvoerig onderzocht en nadrukkelijk bevestigd. De resultaten waren ook niet afhankelijk van sekse, ras, geloofsovertuiging, opleidingsniveau of wat dan ook, maar toonden aan dat gewone mensen tot gruwelijk gedrag in staat zijn, wanneer een ander ze daarvoor van een – al dan niet – legitieme motivatie voorziet.
Griezelig.

Je kunt hier een opname van het experiment van Obedience to Authority van Milgram zien. Het bevat schokkende beelden.

SegregatieOns wereldbeeld is vervormd, subjectief, klopt niet met de werkelijkheid (bestaat die dan?), en is zeer moeilijk bij te stellen. Vroeg opgedane, veel herhaalde en ingesleten waarnemingen nemen hun gerieflijke zitplek in onze hersenen in. Ze omringen zich met allerlei vormen van gemak en zijn niet van plan zich uit hun comfortabele posities te laten verdrijven door indringers met nieuwe ideeën, die altijd als jong en onervaren worden gezien en dus minder rechten hebben. Misschien is dit vooral lastig maar nog relatief onschuldig, dacht ik eerst. Totdat ik op een pikant experiment stuitte. Over onderhuids racisme.

Het Amerikaanse Social Psychology Network biedt op zijn website de Implicit Association Test aan, die iets moet zeggen over de onbewuste attitudes van een individu over rassen en geslachten. Nou ja, niet van zomaar een individu: van mij. Ik negeerde de expliciete waarschuwing die ik te zien kreeg vóór het aangaan van één van tests (‘If you would rather not read these interpretations or risk discovering hidden biases, please do not continue’), werd er eigenlijk wel door aangemoedigd, en startte met het doen van de Racial Test. De bedoeling was om zo snel mogelijk te reageren op beelden en uitspraken, waarin altijd combinaties van rassen en waarden worden voorgelegd. Toen ik de test had afgerond volgde er direct een jury-uitspraak. Die luidde: ‘Your data suggest little to no automatic preference between European American and African American.’ Ik voelde me opgelucht, zeker toen ik zag dat ik tot een minderheid van 12% behoorde, wat ik overigens niet als een overwinning beschouwde. De resultaten van meer dan een miljoen deelnemers aan de test toonden geen goed nieuws, hoewel het nieuwe er natuurlijk wel af was, na eeuwen van raciale discriminatie:

Test Result
% of Test Takers
Strong automatic preference for White people
48%
Moderate automatic preference for White people
13%
Slight automatic preference for White people
12%
Little or no automatic preference
12%
Slight automatic preference for Black people
6%
Moderate automatic preference for Black people
4%
Strong automatic preference for Black people
6%

Zelfs als we ondanks dergelijke preferences ons mild zouden gedragen in het maken van keuzes in het dagelijkse leven, dan vond er een hoge mate van groepsvorming plaats. Dat wordt kleurrijk aangetoond door weer een ander testje, dat van Nobelprijswinnaar Dr. Thomas Schelling. In deze test moet de maker de groene en blauwe fiches op een soort dambord zo arrangeren, dat een fiche van een bepaalde kleur minimaal drie fiches van dezelfde kleur als buur heeft. Dat lijkt misschien op het eerste gezicht vrágen om monochrome wijken, maar wanneer je weet dat het totaal aantal buren van elk fiche meestal acht is (behalve aan de randen van het bord), lijkt dat aantal van drie wel mee te vallen. Het eindresultaat van mijn test was niet geheel onverwacht, maar desondanks teleurstellend: het bord bestond vrijwel uit één vlek van samengeklonterde groene fiches, omringd door drie kleinere blauwe groepjes. Fijntjes werd er onder het onder mij behaalde resultaat nog opgemerkt: ‘None of the tokens sought to avoid the other group or would even have been bothered by having most neighbours by a different colour, yet the end result was a high degree of segregation.’ Schelling’s conclusie: milde individuele voorkeuren leidt tot sterke segregatie in groepen.

Het experiment met het masker van Charlie Chaplin, waarover ik schreef in een eerder blog, had duidelijk gemaakt hoe moeilijk onze perceptie te veranderen is, zelfs als je dat bewust en uit alle macht probeert. Wat me nu vooral trof, is de relatie tussen wat Charlie en de hier genoemde experimenten aan het licht brengen: onbewuste, moeilijk te veranderen attitudes kunnen vergaande gevolgen kunnen hebben, zelfs als ze tot milde voorkeuren leiden.
Charlie Chaplin, fiches, lastige vragen: we kunnen er een boel van leren. Als we willen.

Klik hier om zelf de Implicit Association Test en/of de segregatietest te doen. Als je durft.

(Dit is een bewerkt tekstfragment uit mijn boek over irrationaliteit dat verschijnt in het voorjaar van 2018.)

Charlie ChaplinIn mijn vorige blog schreef ik over de Amerikaan Virgil, de man die ziende blind was. Deze blinde man werd diep ongelukkig nadat hij zijn gezichtsvermogen had herkregen door middel van een operatie. Virgil was niet in staat om zich geestelijk aan te passen aan zijn nieuwe wereld. Voor ons zienden is dat moeilijk invoelbaar. Gelukkig is er Charlie Chaplin, die een bijzondere demonstratie geeft van de onwil van onze hersenen, die maar wat graag blijven geloven in een illusie.

Psycholoog Richard Gregory van de universiteit van Bristol, die als arts te maken had gehad met enkele blinde patiënten die hun gezichtsvermogen hadden teruggekregen, schreef dat ‘conflict en crisis onvermijdelijk zijn als levenslange waarnemingsgewoonten en –strategieën veranderd moeten worden. Zulke conflicten liggen besloten in de aard van het zenuwstelsel zelf, omdat de […] volwassene die zijn hersenen een leven lang aangepast en op een speciale manier ontwikkeld heeft, zijn hersenen nu moet vragen dat allemaal om te draaien.’Wat hij daar precies mee bedoelde is schokkend in beeld gebracht door een simpel visueel experiment dat ik op de website van deze professor Gregory tegenkwam.
De door mij gebruikte omschrijving ‘visueel experiment’ leek bijna lachwekkend overdressed voor het plaatje dat ik aantrof: een plastic masker van Charlie Chaplin op een stokje. Het plaatje was de start van een filmpje, en zonder grote verwachtingen klikte ik op play. Het masker van Charlie begon langzaam rond te draaien, onder de begeleidende en zeer overbodig lijkende uitleg van de toen 86-jarige professor (professor Gregory is een jaar later overleden, in 2010). Een kind kon zien wat het was: een masker, zoals je dat kon kopen in een amusementswinkel (met zo’n vervelend en altijd te vroeg knappend elastiekje waarmee je het voor je gezicht kon doen). De professor begon uit te leggen dat het masker hol van binnen was. Ik begon lichtjes te twijfelen aan de hedendaagsheid van dit ‘experiment’, want hier wees werkelijk niets op iets wat ook maar de geringste verwondering zou kunnen opwekken. De holle kant draaide nu langzaam in beeld. Ja, inderdaad, vermoeden bevestigd, niets aan de hand. Totdat het moment kwam dat de voorkant van het masker niet meer in zicht was. De holle binnenkant van Charlie leek plotseling volledig naar buiten gekeerd, het was naar mij toe gericht, niet van me af. Er moest een truc met het beeld zijn uitgehaald, leek het wel, want hier leek iets te gebeuren dat niet kon.
Na nog een halve draai keerde de voorkant van het masker terug, degradeerde de binnenkant weer tot hol, en alles leek weer normaal. Het geheel draaide rustig door, en liet keer op keer hetzelfde tafereel zien. Telkens veranderde als bij toverslag de binnenkant van het masker van hol naar bol, keek de kijker aan, draaiend in een richting die tegengesteld was aan die van de draairichting van de buitenkant van het masker. Het maakte het geheel vanzelfsprekend nog onmogelijker en verwarrender. Met stijgende verbazing liet ik mij telkens visueel foppen. De professor nam mij de lage verwachtingen die ik van het experiment gehad had niet kwalijk, en legde rustig uit: ‘Your brain refuses it to see as hollow, simply because it is so unlikely.’ Wij weten uit ervaring dat de neus van een gezicht naar buiten steekt, dus wanneer we zien dat het tegenovergestelde het geval is, wijzen we dat beeld af, of we willen of niet. Gregory vervolgde: ‘This demonstrates the immense power of top down knowledge which will actually counter signals bottom up from the senses and force an extraordinary illusion in which the sensory information in the present is cancelled by immense knowledge derived from the past.’ (Ja, lees die zin gerust nog een keer. Het is de moeite waard.)
Zelfs na een enorme zelfopgelegde geestelijke krachtsinspanning was ik niet in staat om de illusie te ontmaskeren en te zien wat er werkelijk gebeurde. Ik wíst dat de achterkant van het masker hol was, maar ik was niet in staat om het op die manier waar te nemen, hoe goed ik mijn best ook deed. Na een keer of tien intensief proberen ving ik iets van een glimp van de werkelijke draaiing van de achterkant van het masker op, maar steeds niet langer durend dan een kort moment, snel weer ingenomen met de optische illusie van een naar buiten gekeerde binnenkant.
Er is niets overtuigender dan zelf dit simpele maar indrukwekkende testje bekijken, dus ik daag je uit om meester te worden over je waarneming. Klik hiervoor op de link naar het filmpje: http://www.richardgregory.org/experiments/video/chaplin.htm. Ik hoor graag van je na hoeveel pogingen je in staat was je hersenen te overtuigen dat ze niet zagen wat je dacht te zien. Of zoiets. Succes!

(Dit is een bewerkt tekstfragment uit mijn boek over irrationaliteit dat verschijnt in het voorjaar van 2016. Zie ook https://www.ontdekkingsschrijver.nl/boeken/.)

At First SightVirgil werd kort na de tweede wereldoorlog geboren op een kleine boerderij in Kentucky. Hij zag slecht, en werd op jonge leeftijd vrijwel blind. Licht en donker kon hij nog wel onderscheiden, maar meer zat er niet in. Tenminste, dat leek heel lang zo, totdat hij op latere leeftijd Amy ontmoette. Zij zou in meerdere opzichten licht in het leven van Virgil brengen. Virgil en Amy werden verliefd, en de trouwdatum werd vastgesteld. Een nieuw leven brak aan voor de inmiddels 50-jarige Virgil. Niet in het minst door het idee dat zijn aanstaande vrouw had opgevat om het huwelijk als ziende aan te gaan: Amy stelde een operatie aan Virgil’s ogen voor. Dat dat er niet eerder in zijn leven van was gekomen had deels te maken gehad met de passieve instelling die de blinde vrijgezel gaandeweg in zijn leven had ingenomen.

Virgil stemde er mee in. Wat had hij te verliezen? De artsen zagen mogelijkheden. In september van het jaar 1991 was het zover. Virgil werd eerst aan zijn rechteroog geopereerd. De staar werd verholpen en hij kreeg een nieuwe lens. Het oog werd toegedekt met een verband, dat er na een etmaal af mocht.
Virgil zat op zijn ziekenhuisbed, omringd door ziekenhuispersoneel en Amy, toen de behandelend arts het verband begon te verwijderen. De grote vraag was of, en in hoeverre, de operatie Virgil zijn gezichtsvermogen had teruggegeven. Virgil vroeg zich heel iets anders af, nadat het verband was verwijderd. Zijn oog deed het, om het maar even technisch uit te drukken, maar daar leek dan ook alles mee gezegd. Maar Virgil had niet een uitgevallen zintuig teruggekregen. Het enige waar hij mee verrijkt was geworden was een grote staat van verwarring.
Iedereen keek Virgil aan, afwachtend, hopend op een kreet van bevrijding en blijdschap. Er gebeurde niets. ‘En?’ vroeg één van de artsen hoopvol, na een aantal lange seconden tussen hoop en vrees te hebben gewacht. Virgil draaide daarop zijn hoofd naar de arts. De stem van de arts was de eerste zintuiglijke waarneming sinds de verwijdering van het verband die Virgil kon thuisbrengen. Hij had geen idee gehad wat hij had gezien. Er was weliswaar licht, een explosie van licht bijna, er waren kleuren, er was beweging, maar dat leverde eerder een kakofonie aan indrukken op dan een synthetisch beeld. De verzameling rare vormen, gaten, lijntjes van licht en schaduw die zich vlak bij zijn oog had bevonden bleek de bron van de stem geweest te zijn – het moest dus wel het gezicht van de arts voorstellen, reconstrueerde hij. Virgils oog functioneerde, maar zijn hersenen konden niets maken van de wirwar van lijnen, vormen en bewegingen die voor alle andere aanwezigen zonder enige moeite waren te interpreteren als de meubels en de mensen om hen heen.

De start van Virgil’s ziende leven was exemplarisch voor het verdere verloop ervan. Vanwege het medische ‘succes’ van de operatie werd na enige tijd ook het linkeroog aan dezelfde soort operatie onderworpen, zoals vooraf ook gepland. Hoewel Virgil’s zicht niet voor 100% herstelde, zag hij voldoende om niet meer als blinde door het leven te gaan. Tenminste, dat was wat iedereen verwacht had op basis van het succes in medisch opzicht. De werkelijkheid was, dat Virgil gehandicapter was geworden dan hij ooit geweest was. Een stuk van zijn huis vol met lijnen en vlakken, licht en schaduw, bracht hem zeer van zijn stuk en stelde hem voor raadsels – voor iedere andere bezoeker in het huis stelde dat de trap naar de eerste verdieping voor. Virgil zag, maar nam niet waar. Dat ging zover, dat hij zijn hond en zijn kat niet van elkaar kon onderscheiden. Hij behandelde ze dan ook niet altijd overeenkomstig hun aard, tot ergernis van de huisdieren zelf.
De oplossing voor dit soort moeilijkheden lag voor de hand, maar vormde niet een lange-termijn oplossing. Het gebruik van zijn tastzin deed hem ontdekken of hij met zijn kat of met zijn hond te maken had, wanneer hij van de deur bij de trap was aanbeland, hoe hij een beker melk kon inschenken zonder er een enorme wanboel van te maken. Oftewel: leven als een blinde. Virgil had zich bijna een halve eeuw laten leiden door zijn sterk ontwikkelde tastzin, reukvermogen en gehoor; het was voor hem vrijwel onmogelijk om de op zijn netvlies vallende warboel van beelden met deze geoefende zintuigen in verband te brengen. Gevoel voor tijd was ook een belangrijk ‘zintuig’; Virgil schatte als blinde in hoe lang het duurde voor hij van de voordeur bij de trap was, en kon op die manier met een stabiele omgeving zijn weg moeiteloos vinden, net zoals dat geldt voor alle (geoefende ) blinden.
Virgil had grote moeite om het vermogen om te zien als uitbreiding toe te voegen aan zijn arsenaal zintuigen. Dat was meer dan lastig – het was verwarrend en destructief – maar kwam misschien nog wel het sterkst tot uitdrukking wanneer zijn zintuigen elkaar gingen tegenspreken. Dat was het geval bij het kijken naar tweedimensionale afbeeldingen. Een schilderij was niet meer dan een vlak met kleuren, zelfs als het ging om figuratieve werken. Een foto van een landschap zei hem niets. Een afbeelding van een appel vormde een raadsel.
In plaats van de euforie die je zou verwachten bij een blinde die zijn zicht terugkrijgt, had het Virgil niets dan ontreddering, verlatenheid en angst opgeleverd. Hij verviel steeds meer in het gebruik van zijn getrainde zintuigen, maar dan met gesloten ogen, om zich weer te kunnen bewegen in een voor hem bekende wereld. Hij ging zich weer als blinde gedragen. Uiteindelijk werd hij ziek en stierf als een ongelukkig mens.

(Het waargebeurde verhaal van Virgil is later verfilmd als At First Sight.)

(Lees meer over onze irrationele omgang met gezichtsbedrog in mijn boek dat verschijnt in het voorjaar van 2016. Zie ook https://www.ontdekkingsschrijver.nl/boeken/.)

Cognitieve dissonantieIn 1954 ontving huisvrouw Dorothy Martin in haar Amerikaanse woonplaats Lake City een brief. Het was niet een brief zoals Dorothy die gewend was te krijgen. Deze brief was afkomstig van een wezen genaamd Sananda van de planeet Clarion. De brief bereikte Dorothy niet via de brievenbus, maar werd aan haar doorgegeven ‘via een vibratie van hoge densiteit, die haar hand sidderend over het papier van een schrijfblok stuurde’. Mevrouw Martin kreeg dus een bericht door, dat ze zelf opschreef. De inhoud van het bericht luidde: ‘De stijging van de bodem van de Atlantische Oceaan zal het land aan de Atlantische kusten doen onderlopen; Frankrijk zal zinken. […] Rusland zal één grote zee worden […] een geweldige golf zal de Rocky Mountains in razen […] met het doel ze te zuiveren van de aardse wezens en de nieuwe orde te scheppen.’

Dat klonk nogal verontrustend, en dat moet Dorothy Martin ook gedacht hebben. Er volgden meer berichten, allen via de trillende hand van Dorothy vastgelegd. Zo kwam ook de geruststellende voorspelling bij haar binnen dat allen die geloofden in de god Sananda gered zouden worden; een ruimteschip zou hen ophalen, en behoeden voor de op handen zijnde zondvloed.
U mag hier natuurlijk van alles van denken en vinden, en dat was ook wat Dorothy Martin en haar kleine groepje volgelingen zelf deden. Ze namen de moeite om één persbericht te sturen naar de lokale krant, die op een achterpagina de kop plaatste “PROPHECY FROM PLANET. CLARION CALL TO CITY: FLEE THAT FLOOD. IT’LL SWAMP US ON DEC. 21”.Daarna werd het stil rond de groep; ze vonden het níet nodig verder paniek te zaaien. Zelf gingen ze zich vol overtuiging wijden aan het scenario dat hen redding moest brengen: geloven.
Leon Festinger, een eenendertigjarige psycholoog van de universiteit van Minnesota, las het bericht. De kans die de onderzoeker voor zich zag zou zich niet gauw meer met een vergelijkbare intensiteit voordoen. Festinger wilde meemaken hoe de groep gelovigen zich zou gaan gedragen in de aanloop naar het fatale uur, namelijk dat van middernacht op 21 december 1954. Maar nog groter was zijn interesse in de uren na middernacht. Festinger was zelf geen gelovige, althans niet in de god Zadanda van de planeet Clarion – sterker nog, hij wist niet eens van het bestaan van deze planeet – en veronderstelde dus dat de groepsleden niet door buitenaardse wezens zouden worden opgehaald. Hoe zouden ze daarmee omgaan?
De groep gelovigen bestond uit niet veel meer dan een man of twintig. Maar kwaliteit leek boven kwantiteit te gaan, want de groepsleden waren allen zeer toegewijd: bezittingen werden verkocht, en enkele leden namen intrek in het huis van Dorothy Martin. Met enige moeite wist Festinger te infiltreren, door zich voor te doen als een volger. Ook hij wilde zogenaamd mee in het ruimteschip van Zadanda.
Op de avond van de 21ste december – wat is er toch met die datum? – zaten alle groepsleden bij elkaar in het huis van Dorothy Martin. Festinger was één van hen. De duisternis was vroeg en snel ingetreden.
De gelovigen konden nauwelijks stil zitten van de spanning en devotie. Nieuwe berichten die Martin ontving hadden geen kalmerende werking; ze droegen bij aan de euforie van de aanstaande redding. Iedereen in het huis stond open voor nieuwe instructies, en die kwamen dan ook. Het merendeel in de vorm van het automatische schrift, maar zelfs enkelen in de vorm van telefonische berichten. Festinger beschouwde die heimelijk als komende van grapjassen, maar de groepsleden wisten dat het om gecodeerde boodschappen ging. Een beller zei: ‘Hé, hoor eens, mijn badkamer staat blank, komen jullie naar mij toe om het te vieren?’ Dit was natuurlijk een geheim bericht, en de groep was uitzinnig van blijdschap, nadat ze er hun interpretatie aan hadden gegeven. Dergelijke berichten golden eerder als bevestiging van hun geloof dan als iets anders.
De avond vorderde. De klok tikte gestaag door, net zo zeker als het einde nabij was. Tenminste, voor alle niet-gelovigen op de wereld; de toegewijde volgers van Dorothy Martin zouden klokslag twaalf uur middernacht immers hun entree in het ruimteschip maken. Vlak voordat het zover was, ontdekte één van hen een stukje metaal op de vloer. Waarschijnlijk volgde er snel op die onschuldig lijkende ontdekking een nieuw bericht, want plotseling waren de groepsleden ervan doordrongen dat het dragen van metaal het ruimtelijk transport in de weg zou staan. Men begon zich daarom als een razende te ontdoen van de metalen onderdelen van de kleding. Knopen werden afgerukt, BH-sluitingen weggeknipt. Zelfs de gulp van één van de mannen werd ijlings verwijderd. Dat ging met nogal wat opwinding gepaard, omdat het nog maar een paar minuten voor middernacht was. Met een verhoogde hartslag namen de groepsleden weer plaats in hun kring in de huiskamer.
Het middernachtelijk uur brak aan. Iedereen staarde naar de klok. Bij de laatste klokslag zou de hemel moeten openbreken – er gebeurde er niets. Daar bleek echter een simpele verklaring voor te zijn: ‘die klok loopt niet goed’, zei er één, ‘we pakken die andere klok erbij, die wel goed loopt.’ Dat was gauw gedaan, en weer zaten ze af te tellen, maar nu voor de andere klok, die nog enkele minuten te gaan had voor het twaalf uur zou zijn.
Ook die klok sloeg twaalf uur. Weer gebeurde er niets. Er waren geen andere klokken in huis die nog enkele minuten van geestelijke redding konden geven. De opwinding nam plaats voor verbazing en verslagenheid. De vloedgolf was nu nog geen zeven uur van hen vandaan, dus het beloofde ruimteschip was nu wel heel erg gewenst. De nacht kroop echter voort alsof er geen Zadanda en planeet Clarion bestond. De groepsleden hadden nog steeds hun overtuiging, maar waren bezig om het gebeuren – of liever gezegd, het uitblijven van enig gebeuren – te rijmen me hun geloof.
En dat lukte. Om 04.45 uur kwam er een nieuw buitenaards bericht binnen bij Dorothy Martin. Ze zat in haar stoel, haar ogen opgeslagen, haar rechterhand trillend de boodschap noterend op haar papier. Die boodschap kwam hierop neer, dat god had besloten om de wereld te sparen, vanwege het licht dat de groep had uitgestraald gedurende hun wake.
De wereld was dus niet niet vergaan ondánks hun geloof – nee, de wereld was gespaard gebleven dankzíj hun geloof. Deze conclusie pepte de groep zo op, dat van enige terughoudendheid en teruggetrokkenheid ineens geen sprake meer was. Er kwam een nieuwe euforie over de groep, en de hele wereld moest het weten. Kranten, televisie en radiostations werden gebeld en uitgenodigd om toch vooral het grote nieuws op te tekenen: Dorothy Martin en haar volgelingen hadden de wereld behoed voor de ondergang.
De psycholoog Leon Festinger was getuige van een fenomeen dat dankzij dit experiment bekendheid zou krijgen: dat van de cognitieve dissonantie. Vanwege cognitieve dissonantie, de afstand tussen iemands overtuigingen en zijn gedrag, resulteert in het verschijnsel dat de mens zijn denken en overtuigingen in lijn brengt met zijn handelingen. In feite hadden de groepsleden twee keuzes na het uitblijven van een nachtelijke ruimtereis: ofwel de conclusie trekken dat ze een stel enorme sufferds waren, ofwel het aanpassen van hun theorieën aan de gebeurtenis. Dat laatste leek hen het minst vervelend. Cognitieve dissonantie staat voor de geestelijke spanning die optreedt door de tegenstrijdigheid (dissonantie) tussen enerzijds houding, gevoel, overtuiging (cognities) en anderzijds gedrag. Door een nieuwe uitleg te geven aan de verschillende cognities en zo de dissonantie op te heffen, verminderen mensen de mentale spanning die optreedt bij gebeurtenissen die tegenstrijdig zijn aan hun opvattingen.
Het afstemmen van je overtuigingen op je handelingen klinkt nogal opportunistisch. Een zichzelf serieus nemend individu zal eerder geneigd zijn te beweren dat hij zich gedraagt naar zijn principes – precies het tegenovergestelde dus. Maar, zoals de dief zei tegen de agent: ‘mijn kinderen moeten toch eten?’ De menselijke geest is flexibel genoeg om zichzelf te beschermen.
Festinger zou er een beroemd psycholoog mee worden. Volgens aardse documentatie overleed Dorothy Martin in 1988.

(Dit is een bewerkt tekstfragment uit mijn boek Dagelijks Irrationeel dat in 2018 is verschenen bij uitgeverij Het Spectrum. Zie www.ontdekkingsschrijver.nl/boeken/dagelijks-irrationeel-over-de-psychologie-van-zelfbedrog/.)

Naast manipulatieve kaarten bestaan er gelukkig ook ‘goede kaarten’. Ik kwam eens een kaart tegen, die zo mooi was, dat ik ‘m onmiddellijk aan de muur zou willen hangen. De wereld stond er twee keer op. Bijna ouderwets, zou ik zeggen, met bollingen die zo ongeveer de kaart uit kwamen zetten.
Moeder aarde presenteerde zich hier. Het papier waarop de kaart was afgedrukt had een lichtbruine gloed over zich, wat het een authentieke uitstraling gaf. Het leek wel een zeldzaam kunstwerk. De bovenste afbeelding had veel groene vlakken, de onderste rode strepen. Die kleuren pasten mooi bij het bruine papier. Er was nog een inzetje met een vrolijk kleurrijk Europa, en in elke hoek stonden verklarende teksten. Het zou in elke kamer in ons huis kunnen verrijken met zijn aanwezigheid.
Bij nadere bestudering moest ik concluderen dat de kaart weliswaar vrolijk oogde, maar desondanks een treurige boodschap bevatte. Hij kwam uit de Berghaus Physikalischer Atlas van 1886 en heette ‘Verbreitung von Krankheiten – Endemische Krankheiten des 19. Jahrhunderts’.
De kaart was misschien wel tekenend voor zijn tijd. De wereld was geografisch gezien al in kaart gebracht – hoewel er geenszins eenduidigheid was over de manier waarop dat het beste kon gebeuren, zo was me duidelijk geworden – en er was zich een nieuw soort kaart aan het ontwikkelen: de thematische kaart. Hierbij ging het niet in eerste instantie om het weergeven van plaatsen en gebieden op hun geografische positie, maar om gegevens over de bevolking van de gebieden, of verschijnselen waar de cartografie in een zoektocht voorzag. Die bijna essayistische kaarten vond ik zeer boeiend. Ze waren het resultaat van speurtochten, die vaak met onbekende afloop door gepassioneerde (amateur)cartografen waren aangevangen, en uiteindelijk in veel gevallen zeer constructieve bijdragen hadden opgeleverd.
Het boek How to Lie with Maps verdient een waardige opvolger. Wie schrijft How to Solve Problems with Maps?

De Franse natuurkundige Léon Foucault is één van de namen die de Fransen hebben geëerd met een plek op de Eiffeltoren – 72 grote mannen hebben de eer gekregen om dit icoon van Frankrijk in gouden letters op te mogen sieren en als zodanig vereeuwigd te worden. Maar Foucault’s ster is nog hoger gerezen: er is zelfs een maankrater naar hem genoemd. Toch opmerkelijk voor een student medicijnen die niet tegen bloed kon.

Foucault heeft zijn bekendheid en waardering dan ook niet te danken aan het pad dat hij als jongeling was ingeslagen, maar dat van zijn latere carrière als natuurkundige. Zo was hij de eerste die metingen deed van de snelheid van het licht, in 1850. Maar de naam van deze kleine Fransman leeft voort vanwege zijn visualisatie van de draaiing van de aarde om haar as, en de manier waarop hij dat deed. Copernicus had het gezegd in de 16e eeuw, Galilei had het astronomisch bewezen in de 17e eeuw, maar niemand had ooit met eigen ogen gezien dat de aarde rond haar eigen as draait. De wiskundige Marin Mersenne had het wel geprobeerd: hij schoot met een kanon een kogel verticaal de lucht in. Nadat tijdens de vlucht van de kanonskogel de aarde een klein stukje naar het oosten was doorgedraaid, zo was de redenering, zou de kogel vervolgens iets ten westen van het kanon moeten landen. Dat deed de eerste afgeschoten kogel inderdaad. Maar de tweede viel een eind oostwaarts neer. De derde werd na zijn afvaart helemaal nooit teruggezien.
Foucault kreeg het voor elkaar, met zijn beroemd geworden pendule. De idee achter zijn demonstratie is even simpel als de uitwerking ervan doeltreffend is. Stel, boven de Noordpool hangt een pendule heen en weer te zwaaien, 24 uur lang, vastgehouden aan een denkbeeldig punt in de lucht. Doordat de aarde gedurende dat etmaal onder die pendule door draait, beschrijft de pendule vanaf de aarde gezien niet alleen een heen en weer gaande beweging, maar uiteindelijk ook een complete ronding rond de aardas, precies één keer per etmaal. Nu lijkt dit een zuiver theoretische exercitie, maar Foucault voerde hem in 1851 uit, en met grote effectiviteit. Weliswaar niet zwevend boven de Noordpool, maar vanaf het plafond van het Panthéon in Parijs. Daar monteerde hij een koord van 67 meter lang met daaraan een bol van 28 kilogram zwaar. De montage was zodanig dat de slinger met een minimum aan wrijving kon bewegen en ook in zijn draaiing nauwelijks werd gehinderd. Boven de grond had Foucault een cirkel aangebracht met een schaalverdeling met daarop een laagje zand. De passerende pendule zou telkens wat zandkorrels wegduwen bij zijn doorgang, daarmee duidelijk makend welk pad hij al had afgelegd. Veel Parijzenaars waren op de demonstratie afgekomen. Nadat een assistent de pendule in gang had gezet, begon deze aan zijn slingerbeweging. Foucault schreef later in een artikel over de pendule: ‘Na een dubbele oscillatie die 15 seconden duurde, zagen we het ongeveer 2,5 millimeter links van zijn startpunt terugkeren. Met dit effect elke volgende oscillatie optredend, groeide de afwijking continu, proportioneel aan het verstrijken van de tijd.’ Het publiek was gefascineerd, evenals de Franse wetenschappers. Ze hadden de aarde zien draaien.
Foucault zou voor zijn werk een Copley Medal ontvangen van de Britse Royal Society – een Fransman die geëerd wordt door Engelsen, dat steeg zelfs nog boven de Eiffeltoren én een maankrater uit.

CholeraNadat ik kennis had gemaakt met de evolutiekaart van William Smith begon ik het vertrouwen in de goede bedoelingen van de meeste cartografen weer een beetje terug te krijgen. Een volgend voorbeeld dat hier aan bijdroeg was een 19e eeuwse kaart, die vrijwel geen enkele esthetische waarde had, maar puur in het teken had gestaan van wetenschappelijke vooruitgang. Het ging om de kaart van de Engelse arts John Snow in 1855. Onderwerp: cholera.

Snow was werkzaam in Londen, een stad die te lijden had onder een oncontroleerbare cholera-epidemie. Er was een probleem dat nog groter genoemd kon worden dan de ziekte zelf, namelijk de totale onwetendheid over de oorzaak en de wijze van verspreiding van de ziekte. De Italiaanse term voor slechte lucht, ‘mal aria’, toonde al aan dat de artsen in die tijd wel eens mis zaten met hun verklaringen; de term werd gegeven aan een ziekte die helemaal niet door de lucht werd overgebracht, maar door een mug. Ook in het geval van cholera dacht men dat men de oorzaak in rondvliegende luchtdeeltjes moest zoeken.
John Snow had er een ander idee over. Hij had weliswaar een hypothese, maar wilde die eerst staven, voordat hij er mee naar buiten trad. Dat deed hij door het maken van een kaart van de wijk Soho. Het was een arme wijk, waar mensen onder slechte omstandigheden moesten zien te overleven. Snow was doortastend. Hij ging alle huizen langs en stelde twee vragen: zijn hier gevallen van cholera, en van welke leverancier betrekt u het drinkwater? Er waren namelijk twee waterbedrijven, die soms in dezelfde straat hun klandizie hadden. De mensen haalden hun drinkwater bij de pomp in de straat, die in verbinding stond met ondergrondse opslagtanks. Toen Snow de antwoorden op zijn vragen in zijn kaart intekende – een zeer eenvoudig uitziende zwart-wit tekening, zonder enige vorm van opsmuk – werd het patroon snel zichtbaar. Veruit de meeste slachtoffers waren gevallen in Broad Street, waar één pomp aanwezig was, namelijk die van Southwork & Vauxhall. Ook in andere straten waren de choleragevallen gegroepeerd rond de pompen van dit waterbedrijf, terwijl de mensen die de pompen van de Lambeth Company gebruikten buiten schot waren gebleven. Het verschil zat hem hierin, dat de Lambeth Company zijn water stroomopwaarts uit de Thames haalde, terwijl Southwork & Vauxhall dat uit de vervuilde benedenloop deed, stroomafwaarts dus, vlak na de plek waar de riolen in de Thames uitkwamen. John SnowSnow had natuurlijk niet blindelings zomaar iets grafisch uitgezet. Het was geen schot in het duister geweest; hij had wel degelijk een idee gehad waar hij naar op zoek moest gaan. Toch werd de waarde van zijn hypothese pas evident door de eenvoudige maar doeltreffende kaart die hij had gemaakt. De pomp in Broad Street werd afgesloten, en de uitbraken van cholera stopten onmiddellijk. Snow stelde dat cholera en veel andere infectieziekten werden veroorzaakt door de verspreiding van heel kleine diertjes. Dat was wel eens eerder geopperd, maar nooit erg serieus genomen. Totdat hij met zijn kaart kwam. Het bestaan van deze ziektekiemen zou nog in dezelfde eeuw worden aangetoond.

Plaatjes vertellen vaak praatjes, zo schreef ik in eerdere blogs over propagandistische cartografie. Duitse propagandakaarten uit WOII, het Amerikaanse antwoord daarop in Why we fight, verkiezingsfraude met Gerrymandering, The New Pentagon’s Map (zie Tien Verdwenen Dagen): allemaal misleiding en manipulatie. Maar gelukkig brengen cartografen niet alleen maar ellende. Ik was enigszins opgelucht, dat moet ik bekennen, toen ik kennis nam van een aantal zeer constructieve vormen van cartografie: een kaart van de evolutie

Eén daarvan was een prachtige kaart uit 1815. Qua kleurgebruik sprong de kaart van William Smith zeer in het oog. Het was een kaart was van Groot-Brittannië, dat op een zodanige wijze was weergegeven, dat plaatsbepaling er bijna niet toe leek te doen. Het eiland was een palet van kleurlagen. Meer naar de kern van het eiland werd de boel roze; het deed me in de verte denken aan een medische constructie van een foetus, opgerold in de moederbuik. Ja, ik heb inmiddels wel geleerd mijn fantasie te gebruiken bij het kijken naar kaarten.
Die foetus, dat was nog niet eens zo heel raar gedacht. Eigenlijk was het best een passende metafoor, vond ik toen ik er wat over zat te mijmeren. Het ging hier namelijk om de eerste geologische kaart, handelend over de langzame geboorte van de aarde in haar huidige staat. Het zou later de persweeën van de evolutietheorie, geboren in 1859, flink op gang helpen.

De eerste geologische kaart, gemaakt in 1815 door William Smith, die door zijn tijdgenoten ook wel ‘Strata Smith’ genoemd werd, vanwege zijn obsessieve interesse in de ‘strata’ (= lagen), hun onderlinge verhoudingen en hun verborgen kennis over de ontwikkeling van het leven op aarde.

Smith was een landmeter die een ontdekking deed die hij eerst een tijdje voor zich hield, voordat hij deze aan de wereld durfde te tonen, zo revolutionair wist hij dat zijn uitwerking zou zijn. Door zijn betrokkenheid bij de mijnbouw en het graven van kanalen was het Smith opgevallen dat de fossielen die hij tegenkwam niet willekeurig in de grond verspreid zaten, maar volgens patronen voorkwamen. Deze patronen werden steeds herkenbaarder, totdat Smith zelfs wist te voorspellen welke laag op welke locatie aan de oppervlakte zou komen. Dat was niet alleen profijtelijk voor landeigenaren die naar het winstgevende kolen op zoek waren, maar Smith zijn bevindingen – en conclusies – zouden niet bij iedereen in goede aarde vallen. De meeste mensen aan het begin van de 19e eeuw hingen het geloof in de letterlijke betekenis van de bijbel aan. En aangezien de Ierse geestelijke James Ussher rond 1650 met behulp van de bijbel nauwkeurig had berekend dat de aarde 4004 jaar voor de jaartelling was geschapen, was het gemeengoed om de leeftijd van de aarde op nog geen 6.000 jaar te houden. Ussher deed dit door vanaf het eerste Bijbelboek Genesis de leeftijden van de daarin genoemde mensen en generaties bij elkaar op te tellen. Dat is minder makkelijk dan het lijkt, want zo’n optelsom is het prettigst gemaakt bij een transparante chronologie, iets waarin de bijbel nou net niet voorziet.
Hoe dan ook, de conclusies van Smith wezen op een aarde die veel ouder moest zijn dan de zes millennia van Ussher. Ook kwamen er door de graafwerkzaamheden van Smith fossielen aan de oppervlakte van dieren die niet meer bestonden. Dat leek erop te wijzen dat God ofwel zelf deze diersoorten had laten uitsterven, ofwel dat ze ondánks Hem hun einde als soort hadden gevonden. Beide gedachten waren onacceptabel voor de machthebbers van die tijd.
Maar niet voor Wallace en Darwin, die er gedurende de volgende halve eeuw de voedingsbodem voor hun evolutietheorie in zouden vinden.

Leesvoer:
De kaart die de wereld veranderde – Simon Winchester
Tien verdwenen dagen – Michiel van Straten

Als kind kon ik in mijn kamertje op lome zomerdagen gefascineerd kijken naar de verschuiving van het zonlicht over het behang. Enig geduld werd sneller dan ik verwacht had beloond: na mijn blik een tijdje gefixeerd te hebben op de grens tussen licht en donker kon ik duidelijk de schaduwlijnen zien verplaatsen. Ik zag de aarde draaien!

In mijn vorige blog schreef ik over de pendule van Leon Foucault, waarmee hij de verwonderde Parijzenaars in 1851 liet zien dat de aarde draait. Met de herinnering aan mijn jongenskamer in mijn hoofd toog ik naar Parijs, naar Foucault’s pendule. Om nog een keer de draaiing van de aarde met eigen ogen zien.

Eenmaal in Parijs richtte ik mijn route op het Panthéon, waar Foucaults pendule van 6 8meter lengte nog steeds rondjes draait. Toen ik bij het klassieke gebouw was aangekomen moest ik concluderen dat alles aan en in het Panthéon de mens tot minuscule proporties lijkt te willen reduceren. Het gebouw zelf neemt zo majestueus zijn plek in, met zijn zuilen en koepel, dat de statige appartementengebouwen die eromheen staan met elk van hun zes verdiepingen tot poppenhuisjes waren gekrompen. De mensen die rond het Panthéon liepen leken betekenisloos, zo klein waren ze. Eenmaal binnen zag ik in de enorme ruimte onder de koepel Foucault’s pendule. En dat niet alleen, hij slingerde zelfs! De 28 kilo zware koperen bol zweefde statig heen en weer, recht onder het hoogste punt van het gebouw. Het was me direct duidelijk waarom Foucault deze plek had uitgekozen voor zijn demonstratie. De kabel die de bol verbond met de ophanging leek nergens te eindigen, zo hoog was de Dome. De lengte van 67 meter gaf de slinger een tijd van circa 15 seconden voor een heen- en terugreis, zo telde ik. Ik was er om 15.00 uur, het uur op de weergegeven schaalverdeling dat de bezoeker recht aankijkt, wanneer deze vanaf de ingang van het gebouw op de pendule afloopt. Dat gaf me toevallig het optimale beeld op de slinger, en vooral op de beweging van de aarde. De afstand die de schaalverdeling onder de slingerende pendule aflegde was weliswaar te klein om met het blote oog waar te nemen, maar als ik maar lang genoeg bleef staan zou de verplaatsing merkbaar zijn.
Het duurde iets langer dan op mijn jongenskamer. Maar mijn 15 minuten wachten werd uiteindelijk ruimschoots beloond: de pendule was een streep opgeschoven. Ik had de aarde zien draaien! Ik moet bekennen dat ik eerder in mijn leven nog nooit zo enthousiast geweest als nu bij het kijken naar een heen en weer slingerende bol. Het klinkt al met al misschien niet heel spectaculair (of misschien ook wel), maar ik was er in elk geval door geraakt. Wat een voorstellingsvermogen had Foucault gehad, om te bedenken dat je een mechanisme kon maken waarmee je de rotatie van de aardbol kon laten zien.
De mensen hadden anderhalve eeuw eerder op dezelfde wijze staan kijken als ik – geduldig, verwachtingsvol – naar een pendule wiens slingerbeweging niet van plaats veranderde. Hun wachten, en dat van mij, werd beloond, doordat de aarde zelf wel bewoog, onder de pendule door als het ware. Ik merkte het ook aan de omstanders, op het moment dat ik er stond. Vingers wezen, ogen tuurden, en de ene bezoeker legde de andere uit hoe het in elkaar zat en waar we nou eigenlijk naar stonden te kijken. Niet naar een draaiende slinger, maar naar een roterende aarde. Maar misschien bovenal naar creativiteit, voorstellingsvermogen en de vaardigheid om iets abstracts om te zetten in een visueel spektakel.

Meer informatie
Je krijgt mijn warme aanbeveling om dit wonder van eenvoudige creativiteit zelf te gaan bekijken in het Pantheon te Parijs.

Nieuwsbrief
Blijf op de hoogte van nieuws, verhalen en andere ontdekkingsschrijverij. Je kunt je hier aanmelden voor mijn maandelijkse nieuwsbrief.