Religie

Sinterklaas en God: ongelofelijk gelovenDecember lijkt uitgevonden om de irrationaliteit van de menselijke soort pijnlijk aan te tonen. De maand begint met een hartslagverhoging, die in de eraan voorafgaande weken zorgvuldig is opgebouwd: het feest van Sinterklaas. Als om de maand niet te doen kantelen onder dit emotionele zwaartepunt, is december ook aan het einde voorzien van een spiritueel evenement: Kerstmis.
Sinterklaas en Kerst lijken mijlenver uit elkaar te staan: kapitalisme versus spiritualisme. Nep versus echt. Kind versus volwassene. Maar desondanks gaat het hier misschien eigenlijk om één en dezelfde persoon en zou bij nadere bestudering een conclusie kunnen zijn: Sinterklaas ís God.
Ga maar na: beiden zijn heilig, hebben een witte baard, en begeven zich meestal op onmenselijke hoogtes. Ze zijn allebei goedgevig, maar alleen wanneer er een toegewijd geloven tegenover staat. Zodra kinderen niet meer geloven dat Sinterklaas bestaat, stopt hij abrupt met het verschaffen van cadeaus – vaders en moeders nemen deze taak onmiddellijk over. God idem dito: niet-gelovigen krijgen niets van hem – Darwin neemt voor hen zijn taken waar. Die had trouwens ook een witte baard, maar dat terzijde.
Het is een geestelijke achtbaan waar de mens gedurende de loop van zijn leven in zit. Als kind is zijn geloof in Sinterklaas onomstotelijk. Volwassenen – die zouden toch beter moeten weten – doen er dan ook alles aan om dat geloof aan te wakkeren. Eenmaal groot geworden stappen zij soms over op die andere heilige, waarvan ze dan ineens zeker lijken te weten dat die wél door de schoorsteen past. En dit, terwijl het alter ego van de Sint zijn eigen bestaan nog nooit met één enkel tastbaar bewijs heeft aangetoond. Zijn kaarten zijn eigenlijk het zwakst, van de twee. Hoe minder zichtbaar, des te hoopvoller de volwassen illusie, lijkt het wel.

Wij weigeren het bestaan te aanvaarden van iemand die we met krachtige regelmaat zien verschijnen, toezingen en hardop bedanken. Maar we geloven daarentegen wél in iets wat we niet zien. ‘Ik denk, dus ik ben’ zei Descartes – ‘in de war’, zou ik er soms aan toe willen voegen.
Als wij ooit nog eens door toekomstige beschavingen opgegraven en onderzocht worden, zullen zij niets van onze overtuigingen begrijpen. En als ze het wel begrijpen, snappen ze het niet.

Laten we er voor het gemak even van uit gaan dat de persoon Jezus Christus bestaan heeft. Moslims kennen hem als profeet, Christenen als de zoon van god. Maar ook als je niet religieus bent zou je kunnen aannemen dat de mens Jezus er was, zo’n twee millennia geleden. Een preciezere tijdsaanduiding, daar is het me om te doen in dit blog. Om je donkere dagen voor kerst iets mee te verlichten.

De Iraanse monnik en rekenaar Dionysius Exiguus, die zich rond het nog niet bestaande jaartal 500 n.Chr. in Rome vestigde, leek behept te zijn geweest met een behoorlijke portie tactisch vernuft. Hij was het, die bedacht dat een jaarrekening vanaf de geboorte van Jezus Christus de man postuum goed zou doen – en de kerk zou helpen haar macht te consolideren. En zo geschiedde: Dionysius berekende dat Jezus in het Romeinse jaar 753 ter wereld was gekomen. De opstanding van de kruisdood was natuurlijk de grootste prestatie van Jezus geweest, en het paasfeest vormde dan ook het middelpunt van Dionysius’ berekeningen. De 25ste maart was al sinds de oude Romeinen een moment dat het begin van nieuw leven vertegenwoordigde – een nieuwe lente (op het noordelijk halfrond), een nieuw jaar, nieuw leven in flora en fauna, en in de vorm van de wederopstanding de dood van een man en de geboorte van een god. De geboorte van het kerstkind, op 25 december, is zo ook aan zijn datum gekomen. De 25ste maart viel op Goede Vrijdag toen Jezus 33 jaar oud was geweest – zijn sterfdag als mens, volgens Dionysius, en daarmee de conceptie van een nieuw en goddelijk leven. Niet alleen zitten er tussen 25 maart en 25 december precies negen maanden – ik geef toe, je moet wel enigszins flexibel van geest zijn om uit dergelijke rekensommen een geboortedatum af te leiden – maar 25 december was ook een belangrijke datum voor de heidenen uit die tijd. Op die dag vierden zij de winterzonnewende – het moment vanaf welke de dagen weer gingen lengen, de koudste, donkerste en moeilijkste tijd zich aan het omvormen was tot een vruchtbaardere, warmere en rijkere periode van het jaar. In feite werd de onoverwinnelijkheid van zon aanbeden. We schuiven gewoon aan bij dat feestje; zoiets moet Dionysius gedacht hebben, toen hij besloot dat 25 december de geboortedag van Christus zou zijn. ‘If you can’t beat them, join them.’
Het bewijs van het succes van zijn tactiek is nog elk jaar merkbaar, als veel Christenen én veel niet-gelovigen elk op hun eigen manier kerstmis vieren op 25 december, de dag waarop Jezus niet geboren is.

2012 is een magisch getal geworden. En, zoals we dat het liefst zien bij mysterieuze symbolen, komt dat fenomeen voort uit een uitgestorven beschaving, en is het getal zelf slechts met grote moeite door de nauwe flessenhalsopening van de geschiedenis gekropen. Die flessenhals stond voor het 16e eeuwse dieptepunt in de Meso-Amerikaanse indiaanse culturen. Zoals we uit de logboeknotities van Christoffel Columbus hebben kunnen zien, waren de Spanjaarden met hun ontdekkingen nou niet bepaald op wereldvrede uit geweest.

Die constatering geldt ook voor de Spaanse veroveringen door de zo poëtisch klinkende conquistadores; een woord geschreven met bloed in plaats van inkt. Deze veroveraars maakten snel na de ontdekking van de Nieuwe Wereld korte metten met de indianen en hun cultuur. Hernán Cortés veroverde Mexico (1519-1521), wat Fransisco Pizarro een paar jaar later inspireerde om de Inca’s in Peru te bestrijden (1522-1524); Diego Velázquez had Cuba toen al ingenomen (1511); Francisco Hernández de Córdoba krijgt de dubieuze eer om niet alleen de Maya indianen ontdekt maar ook grotendeels uitgeroeid te hebben (1517). Het zijn die laatste twee gebeurtenissen die indirect verantwoordelijk zijn voor de magie die het jaartal 2012 oproept, vijf eeuwen later.

De Maya cultuur, die zijn oorsprong waarschijnlijk al vierduizend jaar geleden beleefde, wordt tegenwoordig gezien als hoogstaand. Ze was rijk aan architectuur en beeldende kunst; wiskunde en astronomie waren ver ontwikkeld. Dat leek de Spanjaarden geen goede voedingsbodem voor een overheersing van hun kant. De conquistadores waren de mening toegedaan dat een cultuur die je uitroeit moeilijker in opstand kan komen dan één die in volle bloei is. Technocratisch gezien hadden ze daarin waarschijnlijk gelijk, menselijk en cultureel gezien betekende hun uitgangspunt een ware ramp. Het was er de oorzaak van dat van alle documenten uit de bibliotheken van de Maya er nog maar vier bestaan op de hele wereld. De rest werd door de Spanjaarden vernietigd. Eén van deze geschriften is de codex van Dresden; zo genoemd naar de huidige woonplaats van dit oudste bekende geschreven boek uit Amerika. Aangenomen wordt dat dit beschreven en beschilderde boek een 11e of 12e eeuwse kopie is van een origineel geschrift uit de klassieke tijd van de Mayabeschaving van enkele eeuwen eerder. Het bevat astronomische tabellen, almanakken en beschrijvingen van rituelen, voorspellingen van planeetbewegingen en seizoenen, allemaal in het veelzijdige en moeilijk te ontcijferen hiërogliefenschrift dat de Maya hanteerden. Het zal duidelijk zijn dat de zeldzaamheid van deze codex niet heeft bijgedragen aan een gemakkelijke ontcijfering ervan.
De Dresdener codex geeft, samen met de bouwwerken die de Spaanse overheersing overleefd hebben, aanwijzingen voor het door de Maya gehanteerde getallenstelsel, hun astronomische kennis en conclusies en, voortvloeiend uit die twee, hun kalenders.
Daarvan hadden de Maya er drie. De basis daarvan werd gevormd door hun twintigtallig stelsel, waarschijnlijk simpelweg gebaseerd op het tellen op vingers en tenen. (Het Maya woord ‘uinic’ geeft hiervoor een aanwijzing: het betekent zowel ‘een twintigtal’ als ‘een mens’.) De eerste van de Maya kalenders had 18 maanden van 20 dagen elk. Doordat de Maya goede astronomen waren, wisten ze dat er een verschil van 5 dagen zat tussen deze kalender en een zonnejaar van (ruim) 365 dagen. Vijf schrikkeldagen voegden ze toe – onheilspellende ‘lege dagen’, want ontfutseld aan de natuur. De indianen bleven op deze schrikkeldagen angstvallig binnen en ondernamen geen activiteiten. Deze kalender werd de ‘Vage kalender’ genoemd.
Een tweede kalender bevatte 13 cycli van 20 dagen. Het aantal van 13 cycli was afgeleid van het aantal ‘hemelen‘ uit hun mythologie. Dit resulteerde in een religieus jaar van 260 dagen, de ‘Tzolkin-kalender’. Ten slotte bestond er nog een Venus-kalender van 584 dagen; de periode die Venus nodig had om ten opzichte van de aarde en de zon in dezelfde positie te komen.
Een combinatie van verschillende elementen uit deze veelheid aan tellingen kwam bij elkaar in dat wat de ‘Lange Telling’ genoemd wordt. Die Lange Telling is uiteindelijk te herleiden naar het jaar 2012 – tenminste, als je van goede wil bent. Het ‘Vage jaar’ werd voor een Lange Telling nog eens twee keer met 20 en één keer met 13 vermenigvuldigd – getallen die zo’n basale rol speelden in het leven van de Maya, want menselijk (20) én hemels (13). Deze Lange Telling vormde in de ogen van de Maya een cyclus. Als start van deze cyclus was een dag gekozen die in onze kalender bekend is als 5 september 3114 v.Chr. Waarom die dag gekozen werd is niet geheel zeker, maar waarschijnlijk gaat het om een moment dat het leiderschap van een Maya koning op zijn opvolger was overgegaan. Zoals vaker in de geschiedenis zijn oorsprongen van tellingen meestal pas later in een ver en vaak mysterieus verleden gesitueerd – Romulus, Jezus, Mohammed – en zo was dat ook hier het geval. Hoe dan ook: wanneer je de Lange Telling start op de genoemde datum komt deze cyclus 1.872.000 dagen later ten einde, op 21 december 2012.

‘Daar moeten we iets mee’, moet iemand op een keer bij het wakker worden gedacht hebben. Om daar dan ook maar direct het einde der tijden aan te verbinden vond ik een wel erg grote stap. Maar dat was wel wat er zich in de hoofden van een aantal doemdenkers had genesteld, tegen het einde van het eerste 20ste eeuwse decennium. Er zijn diverse websites over gemaakt, musea houden er tentoonstellingen over, er zijn boeken over verschenen en een Hollywoodfilm kondigde het einde in al zijn spektakel aan.
Het meest werd ik getroffen door een gesprek met Susanne Andriesse¹, in een documentaire die door Netwerk in 2009 werd uitgezonden. Haar verhaal werd in de uitzending aangekondigd door een opgewekt het decor binnenstappende presentatrice, wier blik en stem een serieuze toon aannamen bij het introduceren van de documentaire. Susanne Andriesse werd thuis gefilmd. We stonden direct in haar slaapkamer. ‘Nou hier ligt ‘ie dus’, wees Andriesse ons op het nog ingepakte reddingsvlot, dat bovenop de slaapkamerkast lag te wachten op het einde der tijden. Andriesse, een blonde veertigster met een Rotterdams accent legde uit hoe zij aan de op handen zijnde ramp meende te gaan ontkomen. Nadat het water haar slaapkamerraam is ingestroomd (‘we zitten hier in Haarlem, best dicht bij de kust’) wil ze het vlot inspringen, Het zal vanzelf opengaan. ‘Zoals ze het voorspeld hebben is het 2012, in december, dus vlak voor de kerst – dan moeten wij in principe dus die poolshift gaan krijgen.’ De interviewster liet na te vragen wat dat inhoudt.
¹De dame in kwestie heb ik een andere naam gegeven, zodat ze het in 2013 wat minder druk zal hebben met het beantwoorden van vragen.
Alsof mevrouw Andriesse van haarzelf nog niet voldoende de schrik in haar benen had, trakteerde de Netwerkverslaggeefster haar op een bezoek aan de rampenfilm ‘2012’. Een typische Hollywoodfilm, dus daarmee waren de omstandigheden en het verloop van het verhaal van tevoren al uit te tekenen: gewone man lijdt gewoon leven met bovengemiddeld knappe vrouw, ontpopt zich als zo ongeveer de enige die doorheeft dat op 21-12-2012 de wereld zal vergaan, krijgt gelijk, maar redt desondanks zichzelf, zijn gezin en vooral veel andere Amerikanen. Dit alles tegen een even gewelddadig als onwaarschijnlijk decor van openscheurende grond, in de aarde wegzakkende bergen en vooral heel veel water. Susanne slaat haar hand voor haar mond bij het zien van de massa’s water die de Tibetaanse bergen overstromen. Ze deinst achteruit in haar bioscoopstoel.
‘Wetenschappelijk gezien is dit absolute lariekoek’, stelt wetenschapsjournalist Maarten Keulemans de verslaggeefster na afloop gerust. In zijn boek Exit Mundi – het einde van de wereld, de 50 beste scenario’s, schrijft hij: ‘De Lange Telling duurt 28.500 jaar. Dat is best een flinke periode, maar aangezien de aarde al een ongelooflijke 4.500 miljoen jaar rondjes draait om de zon, heeft de aarde het ‘einde der tijden’ van de Maya’s al meer dan 150.000 keer doorstaan.’ Susanne Andriesse heeft hij er niet mee kunnen overtuigen; zij pakt nog wat extra flessen drinkwater in haar overlevingspakket.
Susanne Andriesse staat niet alleen in haar vrees. De Belg Patrick Geryl heeft een website met de veelzeggende naam www.howtosurvive2012.com – om de website binnen te gaan moet je op een woest in brand staande zon klikken. Dat biedt vervolgens een beschrijving van wat ons te wachten staat: veranderingen in het magnetische veld van de zon, resulterend in een omkering van het magnetische veld van de aarde, met als gevolg aardbevingen, tsunami’s, schuivende aardkorst en overstromingen tot op 3 kilometer hoogte. Maar ook deze man zal dat niet gelaten over zich heen laten komen – net zoals Susanne Andriesse bereidt hij zich voor: 5 gebergtes zijn al door hem uitgekozen om overlevingsbunkers in te bouwen. Iedereen met voldoende geld mag meedoen. Na alle verschrikkingen die zijn website verkondigt gloort er hoop onder het kopje ‘Finally’: ‘We, the survivors of 2012, will be able to compensate for the mistakes that have been made, like those in the area of ecology. You, a follower of an ecological wisdom paradigm, can associate with this for sure. You will have at your disposal an ambitious construction project together with all the relevant scientific information. As a result of that, a paradise-like civilization can rule on earth within a few hundreds to thousands of years.’ Net een hollywoodfilm, bedenk ik. En dat allemaal doordat de Maya’s 13 hemels telden en een twintigtallig stelsel hanteerden.

Op internet, en niet alleen daar, volgen de speculaties over 2012 elkaar in hoog tempo op. Naast de nuchtere reacties uit wetenschappelijke hoek, die zonder uitzondering de speculatie beargumenteerd bestempelen als mythe, zijn er ook reacties van ‘de gewone mens’. Bij het lezen ervan krijg ik af en toe het gevoel alsof ik me in een andere dimensie bevindt.
Om u te laten zien wat getallengekte bij mensen los kan maken, geef ik u de volledig willekeurig door mij gevonden eerste twee reacties. Echt, meer dan het invoeren van ‘2012’ in Google en klikken op de eerste link die naar voren kwam heb ik niet gedaan. (Het is wel van enige tijd geleden.) Iemand schrijft: ‘Ik heb ergens gelezen dat de zonne-energie verandert en dat we dan opnieuw beginnen zonder elektriciteit maar dan op een hoger niveau. Dus dat we de dingen die we hebben uitgevonden niet meer kunnen gebruiken omdat de energie niet meer klopt of zo.’ Benieuwd geworden hoe andere websurfers hier weer over denken, begin ik met het lezen van de hierop volgende reactie: ‘Ik geloof niet dat de Maya’s gelijk hebben of gelijk krijgen.’ Dat klinkt enigszins hoopvol, hoewel ik niet geloof dat de Maya erop uit waren om gelijk te krijgen met een voorspelling die ze niet gedaan hebben. Echter, verder lezend neemt de argumentatie ineens een verrassende wending, want dezelfde persoon vervolgt: ‘Ik geloof meer dat de Bijbel gelijk gaat krijgen. Waar halen ze 2012 vandaan? Op grond van welke berekeningen baseren zij dit? Niet uit de Bijbel, die geeft een heel andere berekening. Volgens de Bijbel zal het pas in 2034 geschieden, dat deze wereld, of Bijbels gezegd, ‘dit samenstel van dingen (Satans wereld)’, ten onder zal gaan. Noach bouwde de ark voor de zondvloed in 120 jaar. En vanaf 1914 een Bijbels magisch jaar gerekend is 1914 plus 120 jaar 2034. Om 1914 te verklaren moeten we uit Daniël 4 vers 13-16 vernemen dat er zeven tijden der heidenen zijn. In het jaar 606 voor christus moest de laatste koning van Israel, Zedekia, zijn kroon afzetten. Van 606 voor christus tot 1914 na christus is 2520 jaar – het tijdsbestek van de zeven tijden der heidenen.’

Meer dan wat dan ook, tonen dergelijke speculaties waarschijnlijk vooral iets aan over de betrouwbaarheid van uitkomsten, wanneer je rekenwerk overlaat aan believers.

Hoewel we in december bij bezoek van Spaanse geestelijken al snel denken aan Sinterklaas, kon er in vroeger jaren nogal eens heel wat kwaads uit Spanje ons land bezoeken. Met behulp van de Spaanse Inquisitie, die van 1478 tot aan 1834 huishield onder vermeende ketters, probeerde de katholieke kerk haar macht te consolideren. En niet door het uitdelen van cadeautjes.

De Latijnse term inquisitio betekent onderzoek, maar de inquisitie deed veel meer dan alleen onderzoeken. Met een wreedheid die zo uit het oude testament lijkt te zijn weggelopen deden de inquisiteurs hun heilige werk. De aanzet tot oprichting van de Inquisitie werd gegeven in de twaalfde eeuw, en getuigt van een creatieve geest van de oprichters. Om zijn ketterse vijanden te bestrijden had de paus bedacht dat hij die wel uit de weg zou willen ruimen, maar ‘hoewel ik de dood van de vijanden van Christus wens, kan ik ze, als monnik en priester, niet ter dood brengen.’, aldus een pauselijke afgezant. Dat zou de wereldlijke macht dus maar moeten doen, na opsporing door de kerk: de inquisitie was geboren. Toen in 1243 paus Innocentius IV (mooie naam) besloot dat bij het verhoren van verdachten ook marteling was toegestaan, steeg de Inquisitie boven zichzelf uit en vormde een even grote als destructieve macht.
Inquisiteurs kwamen naar een dorp en organiseerden een bijeenkomst waarop men zijn ketterij kon opbiechten. Afwezigen waren bij voorbaat verdacht. Beschuldigingen werden vaak anoniem gedaan, wat de betrouwbaarheid ervan natuurlijk niet ten goede kwam. Protestanten konden worden opgepakt, gemarteld en gevangengezet zonder ooit een verdachtmaking te horen. ‘De meestgebruikte martelmethoden waren de garrucha, toca en potro. Bij de garrucha werd de ondervraagde opgehangen aan de armen, die al dan niet achter zijn rug gebonden waren. Aan de voeten van de verdachte werden gewichten bevestigd, en vervolgens werd de verdachte herhaaldelijk opgehesen, om deze vervolgens weer een stuk te laten vallen. Het resultaat was vaak niet alleen hevige pijn, maar ook luxatie (het uit de kom schieten van gewrichten). Bij de toca, ook wel waterfoltering of waterboarding genoemd, werd een doek in de mond van de ondervraagde ingebracht, waarover water werd gegoten. Hierdoor ontstond bij de verdachte het gevoel te zullen verdrinken. Het meest gebruikt was de porto (beter bekend als pijnbank of rekbank), waarop het lichaam van de verdachte onnatuurlijk werd uitgerekt, met hevige pijn en soms verminking tot gevolg. De bekentenissen die gedaan werden als gevolg van deze martelingen werden, samen met de duur en aard van de martelingen zelf, door een notulist vastgelegd, en werden door de Inquisitie als geldig beschouwd.’ (Bron: wikipedia.)
Verbanning, boetes of dwangarbeid behoorden tot de mildste straffen. De sterksten van geest die werden aangeklaagd maar weigerden om een bekentenis af te leggen werden levend verbrand. De gelukkigen onder de aangeklaagden werden eerst gewurgd, voordat ze op de brandstapel gingen.
Schattingen van het aantal processen van de Inquisitie lopen uiteen van tienduizenden tot 150.000.

Paus Gregorius wilde in 1582 zomaar tien dagen uit de kalender verwijderen. De zon, de dagen, de nachten: ze vormen de hartslag van het leven – kon je ongestraft zomaar tien van die hartslagen overslaan? Velen vonden van niet. Hoewel in de middeleeuwen de zon niet meer de hoogste baas was – haar plaats was immers ingenomen door God – werd tijd alsnog niet gezien als iets maakbaars, manipuleerbaars. Daarvoor waren ook bewijzen, even duidelijk als middeleeuws.

Het uit de pas lopen van de Juliaanse kalender met het zonnejaar was al bekend vóór de tijd van Gregorius. Zijn collega Paus Clemens IV had in 1347 ook al een inhaalslag aangekondigd. Vier dagen zouden moeten worden overgeslagen, in 1349. Toen het eenmaal zover was, was een kalendercorrectie het laatste waar de aandacht naar uit ging. Die werd in beslag genomen door de Zwarte Dood. Heel Europa hoestte bloed op, zat onder de builen en kreeg zwarte en paarse vlekken op de huid. Europa was ziek, en Azië, waar de dodelijke ziekte vandaan kwam met haar. De pest raasde over het continent en zorgde alleen al in Europa voor 30 miljoen dodelijke slachtoffers – ongeveer een derde van de gehele bevolking werd door de Zwarte Dood meegevoerd op zijn genadeloze reis. Niet alleen de ziekte maar zelfs de pestdokters, degenen die de pandemie tevergeefs probeerden te bestrijden, zagen er dreigend uit met hun lange gewaad, masker en snavel. In de snavel zaten kruiden, bedoeld om het inademen van bedorven lucht tegen te gaan. Een zinloze maatregel, omdat de pest wordt overgedragen door een bacterie, via vlooien en zwarte ratten – diersoorten die in de veertiende eeuw zo ongeveer behoorden tot het meubilair van het dagelijks leven. In de straten van Europa stonk het in het jaar 1347 naar de dood. Alsof de Zwarte Dood wilde aantonen dat hij even onontkoombaar was als het voortschrijden van de tijd, begaf hij zich in de richting van de wijzers van de klok door Europa door achtereenvolgens Italië, Frankrijk, Spanje, Engeland, Duitsland, Noorwegen en Rusland. Handel en oorlog – twee primaire levensbehoeften, zou je kunnen zeggen – zorgden voor verspreiding, ook naar de omringende landen. De eerste afdoende maatregel tegen bacteriën werd pas in de 20ste eeuw ontdekt. Bij de tijd van de Zwarte Dood hoorden andere soorten ontdekkingen. Zoals dat over de datum van 20 maart 1345, waarop Saturnus, Jupiter en Mars in samenstand waren. Ook stond Mars in een hoek van 40° met Aquarius. Met het uitblijven van werkelijke kennis over de oorzaken van de Zwarte Dood werden deze astronomische verschijnselen gezien als mogelijk samenhangend met het uitbreken van de pest. Als dat bizar klinkt nodig ik u uit eens in uw omgeving te vragen naar wie wel eens een horoscoop leest.
Planeten, de zon, sterren – daar kwam het kwaad vandaan. Maar ook aan de hemelen werd het onheil toebedacht: de pest was een straf van God voor de zondige mens. De kerk kon zijn handen niet in onschuld wassen: zijn inhaligheid had deze ramp mede veroorzaakt. En dat alles aan de vooravond van de aankondiging door de hoogste in rang van diezelfde kerk, Paus Clemens IV, over een aanstaande kalenderherziening.

Met de hemellichamen als radertjes van het bestaan moet je niet sollen, zo was ook in 1582 bij veel mensen de opvatting. De naderende verdwijning van tien dagen bracht herinneringen boven aan de zwarte tijden die de Zwarte Dood had gebracht. Als geïrriteerde planeten niet voor dood en verderf zouden zorgen, dan toch op zijn minst God zelf wel. En wat te denken van de heiligen? De bestaande kalender vormde voor veel katholieken een aaneenschakeling van heiligendagen – de lijst van ‘naam- en heiligendagen’ zoals die tegenwoordig door de katholieke kerk is vastgesteld bevat er bijna 150 per jaar, van ‘Heilige Maria, moeder van God’ op 1 januari tot en met ‘Heilige Stefanus, diaken en eerste martelaar’ op 26 december. Hoe zouden die heiligen reageren, als de mensen ze ineens op een andere dag gingen herdenken? Zouden die zich voelen als een jarige zonder visite?
De religieuze verdeeldheid die sinds de door Luther ingezette Reformatie bezit had genomen van West-Europa, maakte dat het woord van de Paus niet ieders wet was. Het katholieke Italië en ook Spanje waren de enigen die en masse gehoor gaven aan de opdracht van Gregorius XIII. De inwoners van deze landen deden ’s avonds op 4 oktober het licht uit, om de volgende ochtend door het zonlicht van 15 oktober gewekt te worden. Protestanten dachten daar anders over, zeker omdat Gregorius zijn autoriteit had verkregen van het Concilie van Trente, de vergadering van de leiders van de katholieke kerk, waar nota bene de contrareformatie was gestart: het heroveren van het geestelijke en wereldlijke terrein dat was gewonnen door de protestanten. Dat maakte voor veel protestanten alles dat alleen al riekte naar Trente en Pauselijke wierrook direct verdacht en onacceptabel. Zij verwierpen de correctie. Zo schreef de Duitse hoogleraar in de theologie Jakob Tübingen:
‘We erkennen deze Lycurgus* de kalendermaker niet. Hij is geen herder maar een huilende wolf. Hij wil zijn walgelijke wetten, zijn heidense, ontheiligende praktijken en zijn boosaardige, gevaarlijke en goddeloze dogma’s beetje bij beetje opdringen aan onze kerkgemeenschappen’
* Lycurgus de draak, waarvan gezegd wordt dat zijn wetten in bloed zijn opgetekend. (Citaat uit De Kalender van David Ewing Duncan).

De angsten, onzekerheden en verschillen van overtuiging die over het 16e eeuwse Europa hingen zorgden ervoor dat de Gregoriaanse kalender met enkele flinke hink-stap-sprongen zijn weg door de geschiedenis vervolgd heeft. De eerstvolgende lente zou in Italië en Spanje op 21 maart beginnen, zoals bedoeld, maar in veel protestantse gebieden zou de equinox in 1583 weer op 11 maart plaatsvinden, net zoals de jaren ervoor. Frankrijk, hoewel grotendeels katholiek, vond de kalender iets seculiers, niet een speeltje van de Paus dus, en ging later in 1582 pas over tot het verwijderen van tien dagen uit het openbare en huiselijke leven; hier werd 9 december gevolgd door 21 december. In de Nederlanden ging de provincie Holland in december over op de Gregoriaanse jaartelling, en Zeeland pas in januari. Dat leidde tot de situatie dat tijdreizen plotseling mogelijk was: Hollanders zouden op (hun) 1 januari 1583 terug in de tijd kunnen reizen door zich naar Zeeland te verplaatsen en daar aan te komen in 1582. Dat toepassend op bijvoorbeeld een overlijden, zou kunnen betekenen dat iemand eerder zou worden begraven dan dat hij zijn laatste adem uit had geblazen. Boeren veronderstelden zelfs scheuringen in het dierenrijk, als een deel van de vogels hun trek naar het zuiden zouden gaan aanvangen en de rest nog niet.
Europeanen leefden op één continent maar in twee tijden. Tegelijkertijd weliswaar. Om elkaar te begrijpen was het noodzakelijk geworden om bij datumaanduidingen van officiële gebeurtenissen als trouwerijen, overlijden en zakelijke contracten en afspraken te vermelden om welk soort datum het ging: de Oude Stijl (OS) of Nieuwe Stijl (NS). Dat schiep misschien wel enige duidelijkheid, maar had nog steeds als gevolg dat bijvoorbeeld Pasen op twee verschillende dagen in het jaar gevierd werd. Dat moet een doorn in het oog geweest zijn van alle gelovigen, want Pasen was nou eenmaal de heiligste der dagen.
Nederland, Duitsland en Denemarken maakten op 18 februari 1699 de sprong naar de maand maart; het verschil tussen de Juliaanse en Gregoriaanse kalender was hier door het verstrijken van de tijd nog een dag groter geworden en gegroeid tot 11 dagen. De Zweden wilden de weg van de geleidelijkheid volgen en de schrikkeldagen tussen 1700 en 1740 overslaan, maar een militaire nederlaag, hen toegebracht door de Russen, deed hen geloven dat dat dieptepunt het gevolg was van het gerommel met de dagen – de Russen noteerden de dag van hun overwinning als 27 juni 1709 (OS), de Zweden als 28 juni 1709 (‘ZS’) en de meeste andere naties als 8 juli 1709 (NS) – en gingen in 1712 terug naar de Juliaanse kalender door toevoeging van een 30ste februari in dat jaar.
Engeland sloeg op 2 september 1752 elf dagen over naar de volgende dag, 14 september. Dat had veel voeten in de aarde gehad. De Britten hadden er 170 jaar over gedaan, gevuld met politiek, ruzies, oorlog met Spanje, zussenstrijd tussen de katholieke Queen Mary en de protestantse Queen Elisabeth, astronomische berekeningen en nieuwe hervormingsvoorstellen. De maatschappelijke onrust over de kalenderhervorming werd zelfs politiek aangewakkerd met het gebruik van de slogan ‘Give us back our eleven days’.

Pas in 1753 sloot Zweden zich aan bij de Nieuwe Stijl. Zwitserland was pas over in 1811, de Duitse protestanten gingen in 1755 pas in hun geheel akkoord met een leven in een nieuwe tijd.
Japan koos in 1873 voor de Gregoriaanse kalender. Talloze landen zijn pas in de 20ste eeuw overgegaan: Bulgarije, Letland, Litouwen, Estland, Roemenië, Joegoslavië, Rusland, Griekenland. In China duurde het zelfs tot 1949. Dat betekent overigens niet dat de hele wereld nu in hetzelfde tijdperk leeft. Orthodoxe Russen, Serviërs, Macedoniërs, Georgiërs, Polen en inwoners van Jeruzalem gebruiken nog steeds de Juliaanse kalender als het om christelijke feestdagen gaat; zij lopen nu dertien dagen uit de pas met hun civiele kalender, die ook de onze is. De orthodoxen in deze landen vieren het kersfeest op 7 januari.

Rond 1500 begon de lente op 11 maart. Dat was een gevolg van het hanteren van de Juliaanse kalender. Het verschil tussen het Juliaanse kalenderjaar van 365¼ dagen en de tijd die de aarde nodig heeft voor een volledige omloop rond de zon (tropisch jaar) is ongeveer 11 minuten. Dat lijkt weinig, op een mensenleven, want dat komt op slechts 1 dag in de 128 jaar. Maar vijf eeuwen geleden bestond dat verschil al anderhalf millennium en was daarmee opgelopen tot ruim tien dagen.

Dat had als gevolg dat inmiddels de lente buiten in de natuur al anderhalve week bezig was, terwijl de mensen binnen op hun kalender nog naar de winter zaten te kijken.
Men wilde dat de lente weer op 21 maart begon en niet op 11 maart. Daarom kwam Paus Gregorius XIII in 1582 kwam met zijn Calendarium Gregorianum Perpetuum (Eeuwigdurende Gregoriaanse Kalender). Hierin ‘bepalen en bevelen wij, dat van de maand oktober van het jaar 1582 de tien dagen worden geschrapt [tussen 4 en 15 oktober]’. Gregorius had er ook voor kunnen kiezen om de verschillen geleidelijk recht te trekken, bijvoorbeeld door een jaarlijkse kleinere correctie, maar koos voor een drastische maatregel. De mensen moesten op 4 oktober gewoon gaan slapen, gevolgd door een nieuwe dag op 15 oktober. De tien tussenliggende dagen zouden niet bestaan, opgeslokt door de veelvraat die verandering heet. De Juliaanse kalender zou op 4 oktober zijn laatste dag ingaan en de volgende dag, 15 oktober, opgevolgd worden door de Gregoriaanse kalender.
Dat werd niet door iedereen gewaardeerd. Letterlijk. De functionarissen die afhankelijk waren van het innen van huur, belastingen en rente zagen zomaar hun inkomen over oktober met een derde verminderen. Dat zij hiervoor in diezelfde tien te verdwijnen dagen ook niets te verhuren, belasten of te verrekenen hadden zagen ze voor het gemak over het hoofd. Gregorius was ook hier vooruitziend en had in zijn Inter Gravissimas ook opgenomen: ‘Opdat echter deze weglating van tien dagen geen nadeel brenge voor wie maandelijkse of jaarlijkse betalingen dient te verrichten, zullen de rechters tot plicht hebben bij elk geschil dat er zou kunnen uit voortvloeien, rekening te houden met genoemde weglating en de vervaldag van betalingen te verschuiven met tien dagen.’
Vervolgens beval Gregorius een aanpassing van de schrikkeljaren. Nog steeds moesten die om de 4 jaar plaatsvinden – een aanduiding die nu wel begrepen werd, in tegenstelling tot hetzelfde bevel dat ooit door Julius Ceasar was uitgevaardigd – behalve in de eeuwjaren (1700, 1800 enzovoort). De uitzondering op deze uitzondering zou gevormd worden door de eeuwjaren die deelbaar zijn door 400. Dat laatste zorgde er niet alleen voor dat deze kalender veel langer in de pas zou blijven lopen met de omloop van de aarde rond de zon, maar ook dat dit onderdeel van de veranderingen nog even werd uitgesteld, van 1600 naar 1700.
Gregorius was ook nog op andere manieren voorzichtig. Hij verbood alle drukkers ‘welke gevestigd zijn in het gebied dat rechtstreeks of onrechtstreeks behoort tot onze jurisdictie’ om de nieuwe kalender te drukken, om eventuele fouten te voorkomen. En ach, nu hij toch bezig was, voegde hij enkele regels later toe: ‘aan de andere drukkers, waar ook ter wereld, leggen wij hetzelfde verbod op’. Dat had ook handiger gekund, leek me, maar op een gebrek aan doortastendheid kon ik Gregorius niet betrappen, getuige zijn afsluitende artikel: ‘Het is dus aan elkeen, zonder uitzondering, verboden in te gaan tegen deze akte van ons voorschrift, verordening, decreet, wil, goedkeuring, verbod, opheffing, afschaffing, aansporing en verzoek, of er zich met roekeloze stoutmoedigheid tegen te verzetten. Indien echter iemand zich dit aanmatigde, dient hij te weten hij dat hij zich blootstelt aan de toorn van de Allerhoogste en van zijn heilige apostelen Petrus en Paulus.’
De mens zou de mens niet zijn als er geen bezwaren zouden zijn tegen het schrappen van tien dagen: wat te doen met te innen huur, rente en belastingen over de betreffende periode? Boeren veronderstelden zelfs scheuringen in het dierenrijk, als een deel van de vogels hun trek naar het zuiden zouden gaan aanvangen en de rest nog niet. De verwarring en onzekerheid werd uiteindelijke misschien wel het best geïllustreerd door de gedachte dat het leven door de ingreep ook met tien dagen bekort zou worden – de sterfdatum kwam immers nu tien dagen dichterbij te liggen op Gods kalender?

Stephen Unwin, waarover ik in mijn vorige blog schreef, vond dat hij kon uitrekenen dat de kans dat God bestaat 67% is. De Franse Blaise Pascal ging in 1669 nog een stap verder. Hij rekende uit wat de gevolgen zijn van wel of niet geloven. Deze Franse wis- en natuurkundige maakte hierbij dankbaar gebruik van het wiskundige begrip ‘oneindig’. Zijn redenering omvatte twee mogelijke scenario’s: één waarin God wel bestaat, en één waarin Hij niet bestaat. De gok van Pascal.

Stel (eerste scenario): God bestaat niet. Aan het eind van je leven gekomen heb je het dan als gelovige weliswaar je hele leven bij het verkeerde einde gehad, maar ach, niks aan de hand. Je gaat dood, en er is niks meer. Einde verhaal. Uitkomst: geen schade. De niet-gelovige had het al die tijd juist. Ook dood. Ook geen schade. Verschilletje: Pascal beredeneert dat het in dit scenario toch beter is om in God te geloven, want gelovigen leiden betere levens en maken de wereld een stukje beter, volgens hem. Een klein maar niet onbelangrijk voordeel voor geloven dus, in dit scenario.
Het tweede scenario is: God bestaat wel. De gelovige wacht de eeuwige hemelse velden van geluk, want hij was in zijn aardse leven immers fan van de juiste club, want hem recht geeft op gratis toegang. Oneindig lang. En dus is zijn geluk oneindig groot. De heiden wacht een ander lot, volgens de gok van Pascal. Hij die het zijn hele leven heeft vertikt om de Waarheid en er daardoor waarschijnlijk op los geleefd heeft te zien krijgt voor straf een toegangskaartje voor de hel. Oneindig lang. Niet leuk.
Tot zover lijken deze scenario’s vooral op iets wat misschien iedereen had kunnen verzinnen. Maar Pascal maakte deze beredenering helemaal af met toevoeging van rekenwerk. Gesteld dat de kans dat God bestaat heel klein zou zijn, bijvoorbeeld één procent, dan zouden de uitkomsten ‘hemel’ en ‘hel’ nog steeds oneindig groot zijn. Want: 1% van oneindig is nog steeds oneindig. Zoals ook 0,000000000000001% van oneindig nog steeds oneindig is. Dat betekent in scenario 1 (God bestaat niet) een uitkomst van nul. Niks. Maar scenario twee komt op oneindig lang leed (voor de ongelovige) of oneindig paradijs (voor de gelovige). Ergo: Pascal beredeneerde dat het statistisch gezien het beste is om in God te geloven, los van of Hij nou wel of niet bestond. De uitkomst van wat later bekend is geworden als ‘De Gok van Pascal’ is dan ook: neem aan dat God bestaat.

Elke wiskundige zal onderschrijven dat een hele kleine kans op oneindigheid nog steeds oneindigheid als rekenkundige uitkomst zal hebben. In dat opzicht lijkt Pascal’s redenatie te staan als een huis. Niemand wil toch kiezen voor een oneindig bestaan in de hel? Dus: heeft Pascal gelijk? Doen ongelovigen er goed aan om zich te bekeren? Om die vraag te kunnen beantwoorden is het nodig om de argumentaties van Blaise Pascal eens aan een kritische analyse te onderwerpen. Niet zozeer om het eindresultaat te bekritiseren, maar om na te gaan waar eventuele valkuilen zitten in de uiteenzetting.
De belangrijkste valkuil in ‘De Gok van Pascal’ is in eerste instantie misschien niet eens zo heel zichtbaar. Die zit in de stap tussen uitkomst en bewijs. Dat het statistisch gezien het veiligst zou zijn om in God te geloven is nog geen bewijs voor zijn bestaan. Het is alleen de uitkomst van een rekensom.
Een ander probleem in ‘De Gok van Pascal’ is op het eerste gezicht misschien ook niet zo heel erg duidelijk, maar is wel helder te maken. En wel als volgt: als ik stel dat er naast de God van Pascal nog een andere God bestaat (laten we hem Joris noemen), kan ik daar dezelfde beredenering op los laten. Maar als ik toevoeg dat bij Joris een duivel en een hel hoort die oneindig veel erger zijn dan die van de Christelijk God van Pascal, is het statistisch gezien veiliger om in Joris te geloven dan in die van Pascal. Ergo: je kunt beter aannemen dat mijn God, mijn duivel en mijn hel bestaan.
Graag gedaan.

Wil je ontdekkingsschrijvernieuws blijven ontvangen? Meld je dan aan voor ontvangst van de nieuwsbrief. Of volg @MichielvStraten op Twitter.

(Lees meer over onze irrationele omgang met geloof in mijn boek dat verschijnt in het voorjaar van 2016. Zie ook https://www.ontdekkingsschrijver.nl/boeken/.)

The probability of GodDe Britse natuurkundige Stephen Unwin ‘bewees’ in 2003 dat het zeer waarschijnlijk is dat God bestaat. Nee, vergeef me, ik moet preciezer zijn (want dat was hij ook): hij rekende uit dat de kans dat God bestaat 67% is. Jawel! Voor deze opzienbarende rekensom combineerde hij zijn kundigheid in de kansberekening met zijn geloof als, tja, gelovige. Unwin maakte bij zijn zoektocht naar de Waarheid gebruik van Bayesiaanse statistiek. Voor de paar lezers onder u die geen expert zijn in die tak van de statistiek zal ik Unwin’s rekensom even toelichten. Geen nood, het is niet ingewikkeld.

Unwin begon met het uitgangspunt dat, wanneer er aangaande het bestaan van God twee mogelijke uitkomsten zijn (hij bestaat wel of hij bestaat niet), we er goed aan doen om elk van die twee mogelijkheden dezelfde kans toe te dichten. Gevalletje fifty-fifty dus. De Bayesiaanse statistiek schrijft voor dat je vervolgens argumenten introduceert en die vervolgens elk een waarde geeft. Al die waardes hebben invloed het gekozen uitgangspunt van, in dit geval, 50-50. Unwin voerde zes argumenten in in zijn Bayesiaans rekenmodel. Zijn eerste argument betrof het bestaan van goedheid. De net genoemde statistische a priori kans dat God bestaat op 50% stijgt hierdoor volgens Unwin naar een a posteriori waarschijnlijkheid van 91%*. Dat tikt lekker aan. Helaas daalt dat percentage door het invoeren van het volgende argument, zijnde het bestaan van menselijke slechtheid, naar 83%. Valt nog mee. Natuurlijke slechtheid (aardbevingen, kanker, enzovoort) krijgt een zwaardere invloed, want de kans op Gods echtheid daalt hierdoor ineens naar 33%. Wonderen en religieuze ervaringen van gelovigen (!) doen uiteindelijk het rekenwerk eindigen in de eerder genoemde 67% kans op het bestaan van God.

Iedereen mag hier natuurlijk het zijne van denken. En ik denk er het mijne van. En ik wil je ook uitleggen waar dat laatste uit bestaat. Want Unwin ging duidelijk niet over één nacht ijs. En dat doe ik ook niet.
Unwin doet alsof het logisch is om als uitgangspunt te nemen dat de a priori kans dat God bestaat fifty-fifty is. Dat is hetzelfde als besluiten dat de a priori kans op het bestaan van Marsmannetjes 50% is; ook daarvoor zijn er namelijk slechts twee mogelijkheden: ze bestaat wel of ze bestaan niet. (Nog beter illustreert de sollicitant dit, op gesprek bij het Centraal Bureau voor Statistiek voor de functie van statistisch medewerker. ‘Er staat hier een schaal met knikkers’, zegt de personeelsmanager tegen hem. ‘Er zit 1 rode knikker in en 99 blauwe. Wat is de kans dat u, zonder te kijken, de rode pakt?’ De sollicitant denkt even na en zegt dan: ‘Vijftig procent: je pakt hem wel of je pakt hem niet!’ Slechte grap? Misschien. Maar dat was een grap, en grappen mogen slecht zijn. Serieus bedoelde rekensommen niet.)
Speciale aandacht vraag ik voor de twee laatstgenoemde van Unwin’s argumenten: het bestaan van wonderen en religieuze ervaringen. Is dit soort ‘gebeurtenissen’ nou net niet voorbehouden aan, eh, gelovigen?
Vervolgens rammel ik nog even aan de verder zo onberispelijk ogende rekenkundige benadering van Unwin’s statistische benadering. Hoewel de kwantificering van elk door Unwin genoemd argument zijn werkwijze doet lijken als iets met een hoog objectiviteitsgehalte, stort dat idee als een kaartenhuis in elkaar wanneer je je realiseert dat het lijstje door Unwin opgevoerde argumenten volkomen arbitrair is. De genoemde pro-argumenten zijn beargumenteerbaar. Ze zijn aanvulbaar met een oneindig scala van contra-argumenten, waarvan Unwin er echter slechts twee (!) opnam in zijn berekening. (Dat scala hoef ik toch niet te noemen hier? Pak de krant van vandaag er even bij, en je hebt al snel een representatief lijstje.) En voor de oplettende lezer: inderdaad is het lijstje pro-argumenten ook aan te vullen met tal van nog niet door Unwin genoemde goedheden. En zelfs die constatering doet eerder afbreuk het Godsbewijs van Unwin dan dat het de boel verstevigt, want het laat zien dat je vooral eruit krijgt wat je er zelf in stopt.

Unwin noemde zijn methode ‘A simple calculation that proves the ultimate truth’. De eerste drie woorden uit dat citaat lijken me juist.

* Als je precies wilt weten hoe Unwin zijn rekensom uitvoerde verwijs ik je naar zijn boek The Probability of God (Three Rivers Press, 2003).

(Lees meer over onze irrationele omgang met geloof in mijn boek dat verschijnt in het voorjaar van 2016. Zie ook https://www.ontdekkingsschrijver.nl/boeken/.)

Nieuwsbrief
Blijf op de hoogte van nieuws, verhalen en andere ontdekkingsschrijverij. Je kunt je hier aanmelden voor mijn maandelijkse nieuwsbrief.